Nieuws van de webmaster

  • Nieuws van de webmaster
    19 mei Er is een nieuwe poll; eigenlijk is het een herhaling van de eerste poll, toen vroegen we ook of je zelf zou willen gaan.
    De vraag is nu: hoe denk je er over om zelf naar Santiago de Compostela lopen, nadat je Riks ervaringen hebt gelezen?

foto's

Vrienden onderweg

zie ook: overige links

juli 2009

ma di wo do vr za zo
    1 2 3 4 5
6 7 8 9 10 11 12
13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26
27 28 29 30 31    
web-log.nl, powered by TypePad
Rik aangekomen in Santiago de Compostela!
Welkom!

Deze weblog gaat over de tocht van Rik naar Santiago de Compostela.

Rik vertrok op 19 februari 2005 en kwam op 13 mei 2005 aan: na precies 12 weken. Vandaar liep hij in drie dagen naar Kaap Finisterre. Daar kwam hij op 16 mei 2005 aan en daarmee was zijn tocht voltooid.

Op 19 mei 2005 kwam hij thuis.

Je kunt hier alle logs die tijdens zijn tocht en daarna gemaakt zijn nog eens nalezen.
Links bij de links vind je koppelingen naar de kaartjes, waarop je kunt zien waar Rik wanneer was . Verder staan er links naar interessante websites .

Via het mailformulier kun je GEEN mail naar Rik sturen, die mail komt bij de webmaster. (maar als je het toch doet, stuurt ze het wel door)

11 juli 2005

Bijna twee maanden na thuiskomst

Bericht van een pelgrim. "Waarom liep je nou eigenlijk 2400 km van huis naar het einde van de wereld aan de Spaanse kust?" "Heb je gekregen wat je van je tocht verwachtte?" "Wat was de meest bijzondere belevenis onderweg?" "Kon je tegen dat lange alleen zijn terwijl je door Frankrijk wandelde?" "Wanneer heb je je het rotst, het allervervelendst gevoeld? En waarom, denk je?" "Ben je veranderd door 90 dagen lang van huis te zijn weggeweest en die pelgrimsroute te hebben gevolgd, denk je?" "Heb je God ontmoet?" "Ben je meer over de dood en het leven te 'weten' gekomen?" Dat zijn de meest gestelde vragen die op me afkwamen toen ik weer thuis kwam. In dit stukje zal ik proberen op deze vragen in te gaan. 19 februari 2005 wandelde ik van huis naar de zee 2400 km verderop. Daar heet de zee 'oceaan'. Ik zag de oceaan 17 mei. 19 mei 2005 keerde ik terug naar huis. Het grote uitgestrekte water begroette me. Zo van: "Hallo ben je daar? Dat was toch wel even een aardige tippel om hier te komen." Toen ik de zee zag wist ik: "Ik ben er. Aan het einde van mijn tocht. Verder kan niet. Verder dan Kaap Finisterrre, het einde van de wereld, is niet nodig. Onderweg naar dit eindpunt toe heb ik mijn steentje van huis achtergelaten bij het ijzeren kruis, waar duizenden en duizenden andere pelgrims een steen of iets anders van thuis achterlieten. Dat ijzeren kruis is bevestigd op een soort houten mast op een van de hoogste plekken, die de pelgrim tijdens zijn tocht aandoet. Een steentje achterlaten daar is zoiets van: 'thuis is hier nu ook'. Ik heb iets van thuis hier achter gelaten als een klein moment van een monument. Dat steentje ligt nu tussen al die andere stenen van wegzoekers en naar-het-einde-van-de-wereld-toe-lopers. Zo'n lange tocht maken is toch vooral om weer thuis te kunnen komen en thuis met andere ogen te kunnen zien. Ik had niet een echt plan van: 'Ik ga dit of dat vinden. Ik ga die of deze levensvraag oplossen.' Er gebeurde voordat ik begon te wandelen iets dat me deed besluiten de wandeling te doen. En het klinkt heel gek wanneer ik het zo zeg, maar voor mijzelf is dat toch wel het antwoord dat het dichtst bij de waarheid ligt: "De wandeling kreeg mij in haar greep. Ik moest wel. Ik werd er naar toe gezogen. Ik moest gaan. Alsof het allemaal gewoonweg en vanzelfsprekend zo moest gebeuren." Ik heb me maar drie dingen echt voorgenomen: een dagboek bijhouden, een steentje bij het ijzeren kruis achterlaten en mijn jasje verbranden bij kaap Finisterre. Alle drie heb ik gedaan. Door het dagboek bij te houden had ik een soort samenspraak met mijzelf. Ik kon mijn dagboek ook herlezen op sommige momenten. Het werd allemaal geen grote brei van gebeurtenissen doordat ik de vele indrukken, de gevoelens van 'open raken', de intensiteit van contacten met andere mensen en het landschap en het alleen zijn allemaal kon optekenen. Ook ontdekte ik tegelijkertijd hoe belangrijk het voor me was elke avond naar huis te bellen en soms wel een uur met Klazien te spreken. Thuis was in zekere zin ook steeds weer een plek tijdens de reis. Ik verloor thuis niet uit het oog. Dat dat zo belangrijk was ontdekte ik tijdens die 90 dagen. Zoiets kun je je wel gewoon in het alledaagse leven voorstellen. Alleen door zo'n eind van huis te zijn kun je het ook nog eens ervaren. En natuurlijk kan ik lijnen trekken met de betekenis van ons leven zelf. Dat ons leven een lange reis is en dat we uiteindelijk thuis komen. En dat dat thuis komen - net als bij de verloren zoon - tijdens de hele reis al in het vooruitzicht is. Bijna zou ik zeggen: "Je kunt niet echt thuis zijn en thuis komen wanneer je thuis blijft." Het steentje achterlaten op de weg is zoiets als: de lange reis bij je eigen thuis betrekken. Zo van: ergens op die weg is een stukje thuis. En nu ik thuis ben weet ik dat die reiservaringen niet verloren gaan. Iets van mij ligt daar nog tussen al die andere stenen. Waarom dan je jasje verbrand? Meer pelgrims verbranden hun reisspullen. Op de vuurtjes daar aan het einde van de wereld zag ik Spaanse woordenboeken, reisgidsen, regenponcho's, schoenen, broeken, zelfs wandelstokken gegooid worden. Voor mij was het zoiets als: "Nu kan ik mijn oude reisjasje met een gerust hart verbranden. De reis heeft me open gemaakt, gelouterd, schoon gemaakt, van alles laten zien. Mijn oude jasje voldoet niet meer. De reis zelf is meer mijn jas geworden. Hier kan ik mee verder. Een beetje zoals: 'opnieuw geboren worden'-gevoel. Heb je dan gekregen wat je ervan verwachtte? Ik verwachtte niet echt veel. En tegelijkertijd toch ook weer wel. En ik antwoord meestal met: "Ik heb veel meer gekregen dan wat ik ervan verwachtte." Het leven is ook zoveel rijker en grootser dan dat ik soms wil zien. En de tocht heeft mijn ogen daarvoor geopend. Ik kan het veel beter zien. Ik schreef een keer in mijn dagboekje: "Het leven, het wonder van het leven, noem het God, je ziel, het zo-andere-dan-jijzelf, dat overvleugelt ons. Dat is zo groot dat we het gewoonweg niet kunnen zien. Maar wanneer je zoals met zo'n tocht net even in een andere situatie bent gebracht dan zie je een glimp van dat zo onvoorstelbare grote wonder waaraan je mee mag doen." Er zijn heel veel bijzondere belevenissen geweest tijdens de tocht. Nu ik weer een tijd thuis ben glinsteren en flonkeren bepaalde momenten zo maar op. Dan weer die gebeurtenis. Dan weer die ene ontmoeting, dat gesprek. Dan weer dat moment van vrede en rust. Soms zie ik mijzelf dan in zo'n herinnering aan de kant van de weg tegen een muurtje zitten. Om even uit te rusten, wat water te drinken, een sinaasappel te pellen, een pijpje op te steken en wat gedachten in mijn opschrijfboekje op te tekenen die me het stuk wandelen daarvoor overkwamen. En dan zie ik weer het glooiende landschap om me heen. Een vervallen huisje. Een kerkje in de verte. Een wijngaard. Zulk soort momenten. Natuurlijk zijn ere ook grootse ogenblikken. Voor mij o.a. samen met een Engelsman op een verlaten strand in Finisterre staan huilen. Die laatste avond in Santiago, bij de kathedraal, toen een Amerikaanse studente, een Nederlandse vrouw en ik op een stenen drempel naar het laatste zonlicht keken, de eerste ster aan de hemel zagen verschijnen en een groep mannen meerstemmig op het plein begon te zingen. Zo'n moment dat alles opeens klopt. Waar ik me nu nog steeds over verwonder is het feit dat ik het kon en mocht doen. Dat ik niet ziek werd. Geen blaren kreeg. Of last van mijn benen, knieën of voeten. Pas na ruim 400 km in Chartres kreeg ik het gevoel van: 'het moet te doen zijn, de rest van deze wandeling.' Daarvoor wist ik dat zo net nog niet. Tegen het 'alleen zijn' zag ik niet zo op. Ik had al heel veel alleen gewandeld en ik wist dat ik redelijk goed met mijzelf overweg kon. Ik wil daar niet over opscheppen. Maar toch is het erg belangrijk dat je je zelf kunt vermaken tijdens het wandelen. Want dat is het toch wel wanneer je meer dan een week van huis bent: "Je bent op jezelf aangewezen." Wanneer je verdwaalt, verkeerd loopt, natte voeten krijgt, het koud hebt in je tentje, je luchtbed leegloopt, wanneer je moe bent of wanneer je het even niet wil lukken met het vinden van een onderkomen, dan moet je dat echt zelf alleen oplossen. Juist het oplossen geeft je een kick hoe gek dat ook klinkt. En eigenlijk heb ik ervaren dat na een onmogelijke situatie er altijd vanzelf wel een oplossing komt. "Je moet toch ergens blijven," zei ik dan wel eens tegen mijzelf. Het meest vervelende moment was de aankomst in Santiago de Compostella 13 mei. Dat lag niet aan de stad. Het lag helemaal aan mij. Ik kan er verschillende verklaringen voor verzinnen. Het katergevoel van dat de tocht er op zit. Zo van: "Dit is het nou. Verder komt er niets meer. Ben je nu tevreden?" Het was alsof alle nare gevoelens zich de hele toch ingehouden hadden om nu in een keer tevoorschijn te komen. Ik kon niet van het bereikte resultaat genieten. Ik had geen zin om met andere pelgrims te spreken. Ik kon niet naar huis, want dan zou ik de tocht afgesloten hebben met een nare ervaring. Wat moest ik nou? Ik had vooral mijzelf en mijn eigen gevoelens niet in de hand. Ik baalde als een stekker. Het enige dat erop zat was verder wandelen. Naar de oceaan. Dat heb ik ook gedaan. Het waren drie lange dagen met heel veel regen. Ik ben ook de tweede dag op weg naar de oceaan helemaal drijfnat geregend en ik moest de derde dag met natte schoenen en natte sokken verder lopen. Maar dat vervelende haalde het niet bij het nare gevoel in Santiago. En het vreemde van een naar gevoel is dat alles wat daarna komt weer fantastisch voelt. Ik heb me niet eerder tijdens de tocht zo gelukkig gevoeld als op 18 mei toen ik terugkeerde naar Santiago om daar 's avonds een geweldige gelukservaring op het plein te mogen beleven en om de volgende dag weer huiswaarts te keren. En het heel vreemde van 'heel gelukkig' is ook weer dat je tegelijk ervaart dat het kortstondig is, dat het ophoudt, en daar word je dan weer ongelukkig door. Mijn eigen gevoelens werden zo aan het einde van de tocht behoorlijk door elkaar gesmeten. En thuis komen is dan èn heel gelukkig - ik zag Klazien weer - èn toch ook met een soort heimweegevoel: "Ik ben niet meer daar aan het wandelen. De tocht is voorbij." "Ben je veranderd?" Moeilijke vraag. Ja en nee. Ik vind mijzelf dezelfde gebleven. Met een intense ervaring die ik niet eerder zo meemaakte. Wel een stuk lichter (12 kg lichter van gewicht). Misschien iets meer opener en gevoeliger. Vooral toen ik net thuis was. Maar andere ervaringen kunnen datzelfde effect geven. Daarvoor hoef je niet zo'n eind te lopen. Wel mensen ontmoet die ik anders nooit ontmoet zou hebben. Mensen met wie ik ook contact wil houden. Zo van: "Hoe vergaat het jullie nu na die tocht?" Maar echt veranderd? Ik zou kunnen zeggen: "Weer wat verder ontwikkeld. Weer wat meer afgeleerd. Weer wat beter de betrekkelijkheid van heel veel dingen in gaan zien. Een grote ervaring rijker." Maar dat zijn stuk voor stuk clichés. Ik bedoel: "Het hangt er helemaal vanaf hoe je bent. Dingen die je leven veranderen, ik geloof er niet echt in. Een verandering komt vroeg of laat. Het zit erin of niet. Je moet voor bepaalde veranderingen open kunnen staan. Natuurlijk heb ik veel over mijzelf, over mensen, over overleden mensen, over mijn eigen leven en zeker over God nagedacht onderweg. Maar anders dan je denkt. Dat ging niet zo: "Ik zal nu eens een dag over God na gaan denken." Gedachten overkomen je. Zoals gebeurtenissen, landschappen en mensen mij onderweg overkwamen. En doordat je zoveel vrijheid en alle tijd van de wereld hebt laat je dat nog gemakkelijker toe. Je kunt je niet voor je gedachten en je gevoelens verstoppen, vooral niet wanneer je zo lang alleen voort wandelt. Ik heb veel gezongen. Ik heb ook tegen een "Jij" gepraat. Maar ik ben er heel voorzichtig mee om diegene die ik met "Jij" aansprak God te noemen. Ik ben daar helemaal veel voorzichtiger in geworden. Wie is de mens dat hij een ietsiepietsie van God begrijpt? Het is eerder andersom: "Ik laat me leiden. Ik laat me grijpen. Ik heb vertrouwen." En hoe het allemaal in elkaar zit met al die verschillende religies en soorten van geloof, dat weet ik echt niet. Ik hoef dat ook niet te weten. Ik voel dat ik me nog meer bescheiden opstel tegenover al die verschillen. Ik heb de wijsheid niet in pacht. Ik zal nog voorzichtiger zijn bij het spreken over God en over Jezus. Ik weet van mijzelf dat ik daarin verschil met heel veel andere mensen. Ik heb meer losgelaten dan dat ik gevonden heb. En het vreemde is dat ik dat helemaal niet zo erg vind. Al die wijsheden, geloofswaarheden en 'zo is het geloof nu eenmaal: een aannemen', dat werkt voor mij averechts. Het maakt me vleugellam en onvrij. En dan zie ik Abraham, die ook al zijn geloofswaarheden verloor en enkel op een stem moest gaan vertrouwen, en dan voel ik me bij zo'n oude baas thuis. En ik voel me minder thuis bij alle waarheden en wijsheden die mensen me daarna willen opdringen. De bijbel wordt zo voor mij meer een boek vol verrassingen dan een boek met een duidelijk antwoord. Maar ook dat is mijn ervaring en niet de enige juiste of beste ervaring. Zo ben ik niets meer te weten gekomen. Ook niet over leven en dood. Ik heb meer afgeleerd dan bijgeleerd. Ik heb nog meer ontdekt hoe belangrijk het is de instelling die je als kind had niet te verliezen. Met zo'n instelling zie je meer, ervaar je meer, word je meer mens. Je verliest je betweterigheid, je hoogmoed. Want dat weet ik wel: dat hoe meer je de grootsheid van de schepping om je heen ervaart, hoe bescheidener je als mens wordt. Wat valt er nu echt te weten. Leef! Niet in gisteren of morgen. Leef vandaag. Dit moment. Accepteer al die dingen waar je geen grip op kan hebben. Kijk om je heen. Wie heeft jouw hulp nodig. Ontmoet. Ont-moet. Zie ontmoeten niet als moeten. Het leven is veel meer waard dan in 'praten over het leven' te blijven steken. En waarom moeten we sterven? Waar komen we vandaan? Het leven heeft zoveel meer dan antwoorden op deze onmogelijke vragen, die je het zicht op het leven kunnen belemmeren. Maar ik wil zeker geen leerkracht van het leven zijn. De wandeling heeft me geleerd dat je de mensen die je ontmoet geen waarheden moet verkondigen. Je kunt wel je medemensen helpen. Door naar ze te luisteren. Door samen met ze dit grote geschenk te delen. Zie hier mijn bericht. Het bericht van een pelgrim. De reis is nog maar net begonnen. Groeten, Rik

25 mei 2005

dag 85 - dag 90

Dag 85 - dag 90
Toch maar een uitgebreid verslag van de laatste vijf dagen, omdat ze voor mij toch wel het uiteindelijke gezicht van de camino vormden.

Dag 85 zaterdag 14 mei.

Om 8.00 uur verlaat ik met Berry de refugio Aquario aan de rand van de binnenstad van Santiago. De regen stroomde neer. Ons eerste doel: koffie in een bar. Buiten is het een aquarium. Wij zijn twee visjes die ons aan het water overgeven en naar de grote zee op weg zijn. Ieder zo met zijn eigen gedachten. Ik moet aan die andere regendag van de modderstromen naar Estella denken. Het vinden van de juiste weg gaat ons heel wat gemakkelijker af dan de afgelopen nacht.
Om 7 uur vrijdagavond had zich zo'n beetje de hele losvaste groep pelgrims van de laatste dagen verzameld op het plein. Pas toen zag iedereen iedereen weer. Losgeweekt uit de heksenketel van toeristen, pinksterfeest en dagjesmensen. We maakten foto's van elkaar. Dit werd het afscheid. Niet iedereen zou naar Fisterre gaan. Met zijn allen waren we ook gaan eten in een restaurant. Een laatste pelgrimsmaaltijd. De sfeer van 'tja, zo zien we elkaar voor het laatst, laten we gezellig en leuk doen'. Mij lukte dat niet helemaal. Om 10 uur waren Berry en ik toen op weg gegaan naar de refugio. Helaas verdwaalden we zo hopeloos in de stad dat mensen die we aanklampten om ons op de kaart aan te wijzen waar we precies zaten ons mededeelden dat die plek niet meer op de kaart stond. Toch kwamen we na meer dan een uur weer in een herkenbaar gebied.
Daar is een barretje. Een van de weinige. Want de meeste spaanse kroegen zijn 's morgens dicht. Heerlijke koffie. En warempel even verderop een tabakswinkeltje waar ik mijn voorraad pijptabak kan aanvullen. Ook nog fruit en yoghurt gekocht. We passeren de kathedraal. Heel anders dan vrijdag. De kathedraal knipoogt met een glimlach. Zo van: "Van mij ben je nog niet af." Tamelijk snel zijn we de stad uit en gaan we over liefelijke bospaden. De vertrouwde Eucalyptusbomen. De engelse muurtjes. Het parkachtige. Berry - zijn wandeltempo ligt wat lager dan dat van mij - is metselaar en timmerman van beroep. Hij helpt gevangenen met bouwprojecten om zo te kunnen rehabiliteren. Hij is van plan in de nabije toekomst naar India te gaan voor vrijwilligerswerk. We praten over boeken en films. Gebeurtenissen uit ons leven. Hoe vreemd 'verbeelding' kan zijn. De gesprekken komen in steeds dieper vaarwater. Natuurlijk denk ik ook aan de anderen die nog in Santiago zijn. Renee blijft daar nog een of twee dagen. Yvette heeft haar voeten zo stuk gelopen dat naar Fisterre wandelen er niet meer in zit. Haar broer Drew is ook vandaag gaan wandelen naar Fisterre. Haar moeder Mary en zij komen via de bus over drie dagen naar Fisterre. Berry en ik zien Santiago in regenvlagen achter ons verdwijnen. Er staat veel wind. En verder: regen, regen en nog eens regen. Een stop bij een bruggetje. Daarna een barretje in Augapessada. Het blijft regenen. Het is net of dat ook zo hoort.
Berry vertelt het verhaal van 'Small Gods' van Terry Pratchett. Over goden die mensen zoeken die in hen moeten geloven anders blijven ze klein. Zo is er een krokodillengodje waarin maar twee mensen geloven. Dat is het dus. Met de verbeelding. Hoe meer mensen in iets geloven hoe krachtiger het niet bestaande object wordt. Zo gaat het met heel veel in de wereld. Met reclame, met religies, met ideeen. Het is ook het verhaal van de camino. Het is niets, maar omdat mensen erin geloven wordt het alles. "Het is alles en het is niets," had Marieke me verteld. En zoals met het Romeinse imperium: als iets te groot wordt stort het in. Het wordt een monument, een museum, iets dat versteent. Maar de vraag blijft: "Wat is de kiem die het leven uit het niets tevoorschijn bracht?" Want verbeelding heeft net als een parel in een oester een ongekende kern.
Berry wandelt altijd. Hij heeft geen auto. Doet zijn boodschappen in Engeland ook te voet. Ik vertel hem over "Out-of-the-box". Wij mensen zijn nietige schepselen in een immens universum, waarvan het begin vast lijkt te zitten aan het einde. Taal, denken en leven: bouwstenen die we nodig hebben om het leven zelf te spiegelen. Maar je kunt er niet uit. Je kunt niet uit de doos van het systeem. Je blijft er altijd in zitten en weten zo nooit iets objectiefs over de werkelijke situatie te vertellen. Het moet iets zijn buiten taal, denken en leven om willen we zicht krijgen op onze realiteit.
We volgen de gele pijlen. We krijgen de zoveelste hevige regenbui op ons nek. In een bar treffen we drie andere pelgrims, die we niet eerder zagen. Van zeventig jaar en ouder. Ger, een Nederlander, die de camino nauwkeurig met tekeningetjes en kleine lettertjes in kaart brengt, heeft jaren geleden de camino gedaan. Vanuit huis. In het Spaanse gedeelte ontmoette hij een Fransman, een Italiaan en een duitser. Ze zijn vrienden voor het leven geworden en ze zien elkaar nog regelmatig. Ze hebben een eigen taaltje ontwikkeld. De Italiaan kon niet mee. Maar ze wandelen de etappe Santiago-Fisterre om zo hun vriendschap te vieren. Het is een bijzonder stel wanneer je ze zo ziet. Berry en ik wandelen over de mooiste brug. Berry ontdekt dat hij zijn T-shirt dat hij achter op zijn rugzak vast klemde heeft verloren. Ik wacht bij zijn rugzak. Hij loopt terug, vindt zijn shirt. Na een tocht vol vertellingen, heel veel regen en modderpaden, bereiken we Neigera. De refugio is aan de andere kant van het stadje. De herberg blijkt vol. Er is geen beheerder. En een gesloten kamer heeft nog vier bedden. Verder ligt er een stapel matrassen. Hier overnachten moet geen probleem zijn. Berry besluit toch in zijn tentje te gaan slapen. Drew is er ook. En andere bekende pelgrims. De Duitsers - Kristal en de man van Rita -met Rudi de Belg. De Amerikaan Kevin en zijn vriendin waarvan we de naam maar niet kunnen onthouden. Om 6 uur wandelen Drew en ik naar het centrumpje voor een pizza en wat inkopen. Ik bel Klazien. Drew en ik keren terug. De pizzaboerin gaat pas om 8 uur bakken. Om kwart voor 8 zijn we weer in de pizzatent. Berry heeft zijn vegetarische maaltje al op zijn campinggasje gekookt en naar binnen gewerkt. Berry rookt. Berry drinkt. Maar Berry is een van de personen van de camino die ik niet vergeten zal. Hij is open als een kind, verwondert zich over de mooie en kleine dingen en hij heeft een boekenhoeveelheid gelezen waar ik een kleine jongen bij ben. Drew, Berry en ik drinken samen een biertje en lopen weer terug naar de refugio om onderweg nog es een fikse regenbui te ontvangen. Ik moet aan het feit wennen dat ik in het nawoord van mijn onderneming verkeer. Het post scriptum. De koek is op. De thuisreis is in zicht. Dit was het dan. In de refugio nog twee Nederlandse vrouwen ontmoet. 20 jaar geleden deden ze ook de camino. En net als Ger met zijn mannen vieren ze hun vriendschap met deze etappe naar Fisterre, Karin en Marjo.
Ik slaap in de kamer die ontgrendeld is. "Het leven is een wonderlijke aangelegenheid. Met veel, heel veel water nu. De betekenis daarvan is veelvoudig." Met die gedachte slaap ik in.

Dag 86 zondag 15 mei

De geest van de camino moet ons gaan vervullen. Zoiets. Ik heb fantastisch geslapen. Bijna 6 uur aan een stuk., Dat is lang geleden. Ik voel me ook power. Moet ook wel, want ik heb 37 km voor de boeg en er is heel veel regen verwacht. Ik voel me veel meer ontspannen. Het gevoel dat ik schoon gespoeld ben. Een ontlading. Niet meer de sfeer van Santiago-verwachtingen. Het is even zoeken, maar er is hier nog een wc met gewoon toiletpapier. Zo hoef ik niet om papieren zakdoekjes bij anderen te vragen. Mijn eigen voorraadje is zoek. Pas in een bar was er ook geen wc-papier. Het enige papier dat ik bij me had was een suikerzakje. Heb ik open gescheurd en leeg geschud. Daarna in tweeen gescheurd. Bleek toch niet voldoende. Maar de verlossing was buiten-de-deur: zo'n koker met papiersel om je handen aan af te drogen. Snel een dot gepakt en teruggekeerd naar het toilet om het filmwerk af te ronden. Ik zou een studie van Spaanse toiletten kunnen maken. Het afsluitmechaniek: altijd zo'n pietepeuterig grendeltje. Een flinke ruk en de deur is open. Ook laten ze de trekker nog al eens in een gaatje in het plafond verdwijnen en zit te stortbak ergens verstopt in hogere sferen.
Ik bedenk me dat ik de laatste dagen ook nog iets voor mijn verhaalidee over 'het boek en de reiziger' moet zien te vinden. Een soort afsluiting. De camino is een spiegel geworden waarin ik mijzelf tot in de kleinste details heb af kunnen lezen. Ik blijf nadenken over de relatie 'verbeelding'-'realiteit'. Hoe kan ik straks alles uitleggen? Dat gevoel van een 'Jij', die me beschermt, die bij me is, niet op een specifieke plek, niet in mijn innerlijk, ook niet in een hemelsfeer daarbuiten of als een transparante Jezusfiguur naast me. Nee, dichter op mijn huid. Daarover denk ik al 's ochtends vroeg en ik maak er aantekeningetjes van.
Om 7.05 uur vertrek ik. Alleen. Was ik gisteren al van plan. Om zo 'de camino' voor mijzelf samen te kunnen vatten. De regen wacht nog even. Ik volg een heel lang stuk over stijgende en dalende slingerende bospaden. Weer met eucalyptusbomen. Even in een dorpje: het prachtige gouden licht van de zon en de regen die begint te drenzen. Regendrens die overgaat in echte regen. Regen die niet meer zal stoppen deze dag. Steeds heviger. Hoe vergaat het de anderen? Die krijgen dit ook op hun nek. Het bospad wordt een bergbeek. Ik moet soms de gekste toeren uithalen om verder te gaan. Ik zie al uit naar het thuiskomen, het einde van deze week of begin volgende week. Het is nu Pinksteren. Maf, met Pasen liep ik ook in de stromende regen. Nu zwaait het grote wierookvat in Santiago heen en weer. Dat mis ik allemaal, maar ik heb er geen wroeging van. Heel die bonte kermis kan me nu even gestolen worden. Dan heb ik nog liever dit voort otteren in de regen. Het is soms echt te erg: het pad. Alles aan en in me wordt vochtig. Na 8 km die ene bar die open zou zijn. Dicht. Andere verregende pelgrims die ik nooit eerder zag arriveren ook. Ze balen. Ze hadden nog niet ontbeten en verheugden zich erop dat in deze bar te doen. Maar dan gaat de deur open. Ik neem enkel een koffie. Dit wordt lichamelijk de zwaarste dag weet ik: 37 km sjouwen door de regen. Al herinner ik me de derde dag na Rijkevoorsel maar al te goed. Op die manier spiegelt de camino ook van binnen. Het begin spiegelt het einde. Wonderlijk. Verder weer. Nu over een asfaltweggetje. Ik kom Drew tegen. De rest van deze waterwandeling blijven we bij elkaar. Af en toe komen we Kevin en zijn vriendin tegen. Die twee balen meer dan wij. Drew ziet de lol wel in dit natte gebeuren. Drew heeft gisteren een klaver vier gevonden. In navolging van Renee, die met het grootste gemak de ene klaver vier na de ander vindt. Iets dat toch tamelijk wonderlijk is. Ik heb dat ook geprobeerd, maar na een tijdje maar opgegeven. Renee gaf de gevonden klavertjes vier ook meteen weer weg. Na een tweede bar waar we langer dan normaal schuilen, omdat het hoost, doen Drew en ik het befaamde woordspel. Een woord in je hoofd en alleen met ja en nee antwoorden. Gouden ring. Spaans woordenboek. Berry's tent. Yoghurt. Drew had nog nooit van de Humble-telescoop die ik in gedachten had gehoord. We hebben het over wonderen. Drew is nieuwsgierig hoe het is om getrouwd te zijn. Hoe je nu toch van te voren kunt weten of het goed zal gaan. Kun je dus niet weten. Het is echt heel ontspannend om zo met hem voort te wandelen. Hij heeft exact hetzelfde tempo. Mooi gezicht: Drew met zijn eeuwige australische hoed en zijn cape en korte broek. Soms schuilen we even als de stop uit de hemel getrokken wordt. Australiërs worden er moe van wanneer mensen altijd weer beginnen over het feit dat in Australië het water de andere richting op kolkt in de wasbak als hier. Dan horen we enorme knallen. We zien flitsen in de bergen. Vuurwerk dat overdag afgestoken wordt? Later blijkt dat ze met pinksteren bij de begraafplaatsen buskruid afsteken. Waterstromen. Regen. We stoppen niet meer. We blijven alsmaar doorlopen. We zijn nu toch zeiknat. Af en toe dan een stop voor een plas. Of wat eten. Regen in alle soorten. En zo komen we toch nog plotseling bij de refugio. Mijn kaartje en alle gegevens zijn doorweekt en niet meer af te lezen. De refugio gaat pas om 4 uur open. We laten onze rugzak achter en soppen naar de plaatselijke bar waar we de Duitsers - altijd de eersten willen zijn, stop Rik, geen vooroordelen - ook al zijn gearriveerd en er een beetje prat op gaan dat ze nu kurkdroog zijn. O, wat een fantastische uitrusting hebben ze. Echt aangenaam is het in onze doorweekte toestand niet. Om kwart voor 4 terug naar de refugio. Er is één douche. Voor meer dan 30 medereisgenoten. Ik kom daar niet meer aan toe, aan die douche. Met mijn wandelstok maak ik een ophangmechaniek voor mijn natte goed. Er is niets droog meer. Ook mijn slaapzak is vochtig. Geen enkele droge sok, geen slipje. Alleen mijn dagboekjes in drie-dubbel plastic zijn droog. Ik lig een half uurtje op bed. Berry arriveert. Drew en ik zijn nat. Maar Berry is een-en-al-waterman. Hij heeft echt geen droge draad meer aan zijn lijf. Elk radiatortje en elk ding wat warmte geeft is met sokken en ondergoed behangen. Er is zo'n warme-lucht-blazer naast de wasbak. Er staan rijen medepelgrims te wachten om onder dit warmtekanon hun sokken en schoenen droog te laten blazen. Onbegonnen werk natuurlijk, want geen enkele schoen wordt meer droog de komende dagen. Mijn horloge staat ook weer stil. Ger met zijn maten hebben het ook gehaald. Maar met moeite. Ik wandel naar de bar. Waar kun je hier in dit gat bellen? In een woonhuis. Twee enorme honden voor de deur. De vrouw van het huis is niet echt gelukkig met mijn vraag te mogen bellen. Schijnen te veel pelgrims daar te vragen. Drew en ik hebben erge honger. We hebben ons al ingeschreven voor de refugesoep, maar de maaltijd is pas half 9. Ik heb nog spaghetti en sardines in mijn voorraad. Drew tonijn, tomaat e.d. Berry heeft al iets vegetarisch gefabriekt. Er is hier een keuken met formuis. Drew en ik maken een spaghettimaaltijd. Heerlijk. Daarna drinken we Berry-koffie. Met de dertig medepelgrims werken we daarna soep naar binnen. Drew kan meer op dan ik. Voor het eerst. Marjo en Karin arriveren laat. Maar die hebben een instelling dat ze de lol overal wel van inzien. Het regent nog steeds onafgebroken. En ook het Heilige-Geest-geschut wordt vol vuur afgeschoten. Alveiras heet dit gehucht blijkt.

Dag 87 maandag 16 mei

Om 4.40 uur zit ik weer in het eetzaaltje te schrijven. Berry slaapt op een houten bank. Hij wil niet in een gewoon bed, omdat hij zo zegt hij dan met zijn gesnurk de anderen uit hun slaap houdt. En in zijn tentje slapen zat er vannacht niet in. Slapen vindt hij maar zonde van de tijd. En net als ik kan hij met heel weinig slaap toe. De regen valt. En ik schrijf. Zoveel verschilt dat niet van elkaar. Zoals de regen neer klettert op de verweerde straatstenen zo spatten mijn zinnetjes op de ongeschreven bladzijden. Ik zoek nog steeds naar 'de kern' van mijn verhaal over 'het boek en de reiziger'. Een leemte, waar ik muurtjes van zinnen omheen metsel. Zoiets als: om het onnoembare te kunnen bewaren. Om 6.15 uur drink ik koffie met Berry. We hebben het al weer over talloze boeken gehad. Hoe we onze ogen bedierven toen we jong waren. Om half 8 wandel ik met Drew het dorpje uit. Berry wil nog even wachten totdat de regen minder wordt. De Duitsers zijn al lang weg. Drew en ik hebben het over geschiedenis. De Tweede Wereldoorlog in Nederland. Hoe dat was. We lopen door een prachtig landschap. Een slingerende beneden ons. Met gele brem bedekte hellingen. Heuvels. Een bergketen in de verte. We zijn op weg naar de oceaan. Na 5 km bereiken we Hopital. 'n Kleine bar. De mededeling dat er hierna 15 km niets meer is. De Duitsers zijn er ook. We kopen een brocadillo (sandwich) voor onderweg. De regen valt weer met bakken uit de hemel. Wordt het weer net zo'n dag als gisteren? We wandelen door niemandsland. Het woordspel. Glimp. Figgershake. Na meer dan 2 uur soppen in de regen verorberen we de brocadillo. Een steil dalend pad. En dan voor het eerst de oceaan zien. We bereiken het plaatsje Cee. Er is een bar. We zijn zeiknat. Koffie.Moe. Kevin en zijn vriendin Shrl... en nog wat arriveren. De duitsers. Drew is zo moe dat hij zijn hoofd op de armen legt. Even niet verder willen. Maar we moeten toch. Rillerig. Met heel veel moeite maken we ons uit deze bar los. Buiten: nog natter, koud, regen. Even in een dip. Waar zijn we mee bezig? Door Cee heen sjokken. Langs een doorgaande weg. Word je ook niet vrolijk van. En tegelijk realiseer ik me dat dit de laatste echte afstand van de hele camino is. "Wat ben ik aan het doen met het vooruitzicht dat het net als gisteren de hele tijd blijft regenen?" vraag ik me af. Dan worden de paden mooier. Een bospad. En zowaar: de regen stopt abrupt. De zon breekt door. Het wordt opeens warm. Zonnebril op. Jas uit. Gek weer, deze plotselinge overgang. Steeds mooiere weggetjes. Uitzicht op de oceaan. In een dorpje kunnen we gemakkelijk op het strand komen. We ploffen op een houten vlonder neer. Schoenen uit. Een wijkend vergezicht. Een weldadig gevoel. Heerlijk ontspannen. We zijn dan nog niet in Fisterre, maar dit is het toch wel. De zee. De prachtige kustlijn. De blauwe hemel. Mijn zakmesje valt nog in een spleetje in de vlonder. Met moeite vis ik het eronder vandaan. Kevin en zijn vriendin van wie nog steeds de naam niet goed weten doen dit strand ook aan. Verder weer. Een pad dat tussen bomen en struiken door naar een hoogte voert. En dan plotseling een wijds panorama. Het plaatsje Fisterre in de baai, de bergtop met de vuurtoren. Het einde is bijna in handbereik. We wandelen omlaag. Vinden een bar aan het strand. Verder niemand. Bier. Echt ontspannen. Nog eventjes maar. Dit zijn de laatste ogenblikken van mijn zo'n 2400 km lange wandeling. De oceaan zien. De plek hier. Ik ben gelukkig. Dit is zo compleet anders dan Santiago binnen wandelen. Hier wandel ik de zich uitvouwende ruimte tegemoet. Dit is geen Post Scriptum. Dit is een geweldig slotaccoord. Verderop stuiten we op Mary, Drews moeder, en zijn zus Yvette, die net met de bus zijn gearriveerd en al een hotelletje hebben gevonden. Ze hebben Julian en zijn vrouw Juliette nog in santiago gezien en Nataja en haar man. Natasja heeft het dus gelukkig ook gehaald. Renée is zondag ook gaan lopen in deze richting. Had het ook verder wel gezien in santiago. Ik besluit niet meer in een refugio te gaan slapen. Heb ik geen trek meer in. Er is een kamer in hetzelfde hotel van Mary en Yvette vrij. Niet duur. Drew wil wel overnachten in de refugio. Op een terras uitrusten. Naar de zee en de schoon gewassen hemel kijken. De hoge bergen en de grillige kustlijn. Helderheid. Blauw in overvloed. Daar, verder, om de hoek, zo'n 3 km van Fisterre vandaan, is het einde van de wereld. Dat trekt. Daar moet ik deze dag nog naar toe. Maar nu even de aankomst vieren. Ik heb weer de ruimte. De ruimte van het begin van de tocht. In België en Noord-Frankrijk. Ik ben er. Ik ben er eindelijk. Na 86 dagen. Ik bel Klazien. Ze zit net op het toilet. Had de telefoon meegenomen, want ze verwachtte mijn telefoontje. Ja wanneer ik nu thuis kom weet ik nog echt niet. Ik heb kamer 404. Ik haal alle spullen uit mijn rugzak en ik spreid ze uit over de vloer en bij de ramen. Alles is nat of vochtig. Het is zo bij elkaar maar een gaar zootje. Ik douche me. Ik pit een half uurtje. Ik voel me los van al die andere wandelgasten. Zelfs een beetje ontheemd. Maar het gevoel van in frankrijk onderweg zijn, daar kan ik weer bij. Gek: morgen niet meer naar een volgende plek. Heel gek. De onrust voorbij. O, ik ben mijn vulpen kwijt. Balen. Niet meer gegeten. Om 8 uur 's avonds gaan Drew, Mary, Yvette, Berry en ik naar de uiterste punt voor de 'zonsondergang'. Meer dan 3 kwartier lopen. Zonder rugzak. Voorbij de vuurtoren zitten we op een rotsblok en kijken uit over de enorme watervlakte. Een filmploeg gezien. Deze zonsondergang hier blijkt heel bijzonder te zijn. Het ene rotspuntje voor ons. De kliffen die me aan ierland doen denken. De dalende zonneschijf. "Ik heb nog nooit eerder in mijn leven zo lang naar de zee gekeken," merkt yvette op. Mary maakt toastjes. Drew deelt bier uit. Berry steekt zijn zoveelste sigaret op. Hij is om 7 uur aangekomen en slaapt in de refugio. Wee zijn een beetje een familie zo bij elkaar. Alleen Renee is er niet bij. De voorstelling met zon, wolken en zee gaat beginnen. Lichtbanen. Goudspetters. Het pad van schitteringen over de zee. Als een surrealistische camino. De wolken die steeds weer anders oplichten. Hier krijgt alles de ruimte. Ook mijn eigen hoofd. Dit is letterlijk: 'er zijn'. Helaas, ondanks de veelbelovende aanvang, wordt het geen echte zonsondergang. Morgenavond beter misschien. Maar het had wel alles in zich om een mooie zonsondergang te worden. Ger en zijn maten zijn ook gearriveerd. Berry, drew en ik lopen samen terug. Ik raak nog in gesprek met Hilère, een Franse jonge vader die afstanden van 50 km per dag loopt. Hij is nog niet uitgewandeld. Hij loopt de camino ook weer terug. Berry vertelt een lange mop over Julius Caesar en een woeste Pict. In Fisterre eten we een snack.

Dag 88 dinsdag 17 mei

Tot half 8 uitgeslapen. Genoten van de rust. Ik heb mijn plan: alleen naar de uiterste punt gaan. Met schrijfspullen. En daar kijken naar de oceaan en schrijven. Het is alsof ik alle verzamelde denkbeelden van de afgelopen 88 dagen voel watertrappelen om een plekje in mijn laatste legpuzzelstukje van een verhaal te worden. Niet het verhaal zelf. Maar de woorden erom heen. Als een vingeraanwijzing. Daar is de plek. Zo wandel ik naar de punt. Helemaal alleen. En daar is ook niemand. Et is prachtig weer. De oceaan even voor mij alleen. Ik zoek een geschikte plek. Onderweg hier naar toe nog een vulpen en wat mondvoorraad gekocht. Ik weet nog niet hoe lang ik er zal blijven. Alles past. Ja, meer dan ooit past alles. Het laatste puzzelstukje maakt het beeld van de hele wandeling zoals het zijn moet. Ik ervaar het schrijven als een soort precisiewerk. En tegelijk gaat het schrijven vanzelf. De meeuwen krijsen. Bij mij in de buurt: brandplekken waar anderen hun spullen verbrand hebben. Doe ik ook. Vanavond of morgen op mijn verjaardag: mijn spijkerjasje verbranden. Het is warm. Blauwe hemel. Jubelend zomerweer. Geen moment eerder heb ik me zo ontspannen gevoeld. Kijken naar het grote water. De lijnen in de golven. De einder. Een vissersbootje dat een wit spoor achterlaat in de golven. Terwijl ik aan het schrijven ben is er opeens de gekko. Aan mijn voeten. Helemaal niet schuw. Een soort groenblauw glanzende hagedis van zo'n 30 cm. Ik had nooit meer over dit wonderlijke diertje nagedacht sinds ik de wonderlijke roman 'Mayo' van Jostein Gaarder (auteur van 'de wereld van Sophie') gelezen had. Berry had onderweg ook een exemplaar gezien. En nu is dat diertje, dat ontsnapt lijkt te zijn uit de film van Jurassic Parc, bij me. Heel de tijd blijft het bij me. Het schuifelt wat rond, klautert over mijn been en voet, over mijn spulletjes, mijn camera waarvoor ik een nieuw rolletje gekocht heb. Het kijkt me een paar keer met die kraaloogjes aan. Het diertje gaapt. En ik verwonder me de hele tijd over zijn aanwezigheid. Zo dichtbij. Zo vreselijk dichtbij. Ik raak het niet aan.Ik laat het diertje er maar gewoon zijn. Prachtig die glans op die schubben. Het is echt een soort mini-dinosaurus. Kijk die pootjes nu toch. Ik moet denken aan wat Berry vertelde over 'Small gods'. Dit diertje is maar erg klein. Hoe wordt het 'groter' geloofd? Het verscheen juist op het moment dat het schrijven in een stroomversnelling raakte. Soms vind ik al die toevalligheden maar verwarrend. Ik denk dan maar aan wat Julians vriend David daarover vertelde. Dat we 'het wonder' zo graag invullen en we buitelend over onze eigen gedachten niet-passende legpuzzelstukjes passend maken. Ook Drew is zo'n realist. "Deja-vu's bestaan niet. Wanneer we iets zien dat we daarna een deja-vu noemen heeft zo'n impact dat we denken naar een soort nabeeld te kijken." Maar ik weet het niet hoor. De gekko vindt een kaaskorstje, speelt ermee, laat het weer liggen.
Er verschijnen toeristen. Boven me. Zo besluit ik half 2 mijn plekje maar eens te verlaten en naar het hotel terug te keren. Misschien dat ik Berry opzoek en met hem wat ga drinken. De dag is open genoeg. Ik heb geen enkele verplichting. Geen zelf opgelegde taak. Geen route te lopen. Ik drink eerst nog koffie in het barretje bij de vuurtoren en ik wandel daarna de 3 km lange weg naar Fisterre af. Warempel, daar loopt Steve, Steve van 'Pete and Steve', de twee mannen die ik op de meest onverwachte ogenblikken dagelijks de hele Spaanse camino tegenkwam. Pete and Steve, die in hotels sliepen en pas na negenen aan de wandel gingen. Pete and steve, die ik altijd achter een pul bier op een terras zag zitten. Steve die een mobiel had waarmee hij het laatste nieuws via een internetverbinding kon ontvangen en zo ook altijd wist wat voor weer het werd. En nu zag ik hem met een Canadees. Even een praatje met hem. Verder weer richting dorp. Rechts de zeearm met plassen zonlicht op het water, de bergen, de wolken, links de helling begroeid met brem, voor me uit: de weg, en een mensfiguurtje. De zoveelste pelgrim die de punt gaat aandoen. Een pelgrim alleen. Ik herken haar niet eens. Pas wanneer ze 'ola' roept. Ik vind dat altijd zo stom klinken: "Ola". Ik moet dan toch altijd aan het merk van een ijsje denken. Het is Renée met haar Yellowsoneparc-stok en een kleine rugzak. De zware heeft ze in Santiago achter gelaten. Ze is erg blij me te zien. Had niet verwacht dat ik nog hier was. Ze baalde dus ook van Santiago en was zondag op pad gegaan. Grotendeels alleen. Ook dit stuk. Ze wilde niet in Fisterre stoppen, maar direct door wandelen naar 'het einde van de wereld'. Of ik nog even mee ga? Tuurlijk. We vertellen elkaar over de weg hier naar toe. De regen. Ze wil dat ik een foto met haar toestel maak van haar bij het stenen kruis. En daar is ook Steve weer. We lopen naar het uiterste puntje. Daar zit ook Luba, een studente die Renee onderweg is tegen gekomen. Weer komt de Gekko tevoorschijn. Renee laat me haar kapot gelopen schoenen zien. Kijken naar de oceaan. Relaxed. Tegen vieren een biertje drinken. Tegen vieren in Fisterre terug. Daar ontmoet ik Hans, een Nederlander die ook van huis vandaan de camino gelopen heeft. Ik had al een aantal keren over hem gehoord, maar hem vreemd genoeg geen enkele keer gesproken. Pas hier bij het eindpunt. Ik doe nog een tukkie. Renée is van plan haar schoenen te verbranden. We eten samen in een restaurantje en maken plannen voor de verbranding. We gaan branbaar spul verzamelen: oude kranten, hout, aanmaakblokjes. Ik denk nog aan benzine. Nergens te krijgen. Ik voel het pyromaantje in me tekeer gaan. Met de Australische familie, Berry en Renée wandel ik 's avonds weer naar de punt. In mijn plastic zak: mijn jasje, kranten en ander brandbaar spul.
"Waarom verbrand je nou je jasje, papa?" had Ilsa gevraagd. Voordat ik van huis ging had ik me drie dingen echt voorgenomen: een steentje achterlaten, mijn jasje verbranden en een verhaal vinden. Rituelen die met mijn verwachtingen van de hele tocht te maken hadden. Ik werd vijftig. Ik wilde mijzelf tegen komen. En ik wilde iets meer te weten komen waarom de mensen komt en gaat. Het liedje van mijn vader indachtig: "Welterusten langs de kusten vloeien golfjes heen en weer en van al die duizendtallen keert er ooit geen enkel weer." Waar zijn wij mensen naar op weg? Zou een onderneming als deze, een soort afstand nemen van het gewone leven, mij meer kunnen vertellen over dit voortdurende verschijnen en verdwijnen? Het jasje verbranden: een soort oefenen in verdwijnen. Niet helemaal echt verdwijnen, maar wel willen inzien dat ik hoe dan ook ooit verdwijn net als dit hangjasje dat me zo goed was gaan passen. Het steentje achterlaten: net zo goed een oefenen in verdwijnen. Iets waardevols van jezelf achterlaten en dat maar overgeven aan de weg. En het vinden van een verhaal: daar maakte ik me al niet zoveel zorgen om, dat verhaal kwam vanzelf wel, dat was al heel de tijd aan de gang. Het verhaal: iets van mijzelf dat niet van mijzelf was.
Bij de punt is een soort monumentje. Van de verbrande wandelschoen. Vele pelgrims verbrandden hier hun wandeloutfit of een deel dat er symbool voor stond. Maar ik ging iets anders verbranden. Een jasje dat ik tijdens het wandelen nauwelijks gedragen had en eerder voor extra gewicht zorgde. De ware betekenis van het verbranden van dit jasje zal later wel meer tevoorschijn komen, heb ik gedacht. Ik ben de brandstapel al aan het maken. Tussen twee enorme keien. Ik maak grote proppen van de kranten. Ik ben alleen daar nog maar mee bezig. Houtjes. Aanmaakblokjes. Ik leg mijn jasje op de brandstapel. Uitgevouwen. De mouwen als uitgestrekjte vleugels van een zilvermeeuw. Daar ga ik. Nog wat aanmaakblokjes erbij. Ik houd het vlammetje van de aansteker bij de onderste kranten. De boel vat direct vlam. En behoorlijk. Een groot vuur. Benzine is dus niet nodig. Er worden foto's gemaakt. Wijn ingeschonken. In plastic bekertjes. Renée legt haar schoenen in het vuur. Rudi, de Belg, heeft een hele verzameling wandelspul: zijn twee stokken, een cape, een woordenboekje, gidsjes, kleren, schoenen. Gebiologeerd kijk ik naar het oplaaiende vuur. Mijn jasje: een vuurrode vlindervlam. Tegelijkertijd begint de zonsondergang.
Ik bevind me op de grens. Tussen verbeelding en realiteit. Tussen water, vuur, lucht en land. Staat mijn horloge nu weer stil? Renée raakt in gesprek met andere pelgrims. Berry en de Australische familie gaan hoger zitten om de zonsondergang beter te zien. Ik ben alleen met het vuur. Van het jasje is helemaal niets meer over. Verdwenen. In rook opgegaan. Weggevlogen.
Waar gaan we naar toe? Waar komen we vandaan? De ene levenszin ligt achter het decor van de werkelijkheid. De hemel zwijgt. De oceaan is te groot.
Op een rotsblok kijk ik naar het laatste licht. Soms lijkt het licht een highway upstairs. Een hemeltrap. Een zoveel mooiere zonsondergang dan de vorige dag. Maar het doet me minder. Ik zou de werkelijkheid af willen dwingen met een duidelijker en verstaanbaarder antwoord voor de dag te komen. De voorstelling is snel voorbij. Ik stook het vuur nog es op. Iedereen verlaat de grote zaal. Maar ik wil hier alleen nog een tijd blijven. Alleen. Ik wil het donker zien worden. Vreemde jongen, die baardmans. Op een uitgelezen plekje zit ik hier de laatste uren voor mijn verjaardag uit. In het donkere water en de vreemde donkere wolken, waartussen het laatste hemellicht kiert, lees ik al die dagen van onderweg. En ik roep allerlei belangrijke levensmomenten op. Ik heb alle tijd van de wereld. Mijn eerste kleuterschooldag. Bij mijn vader achterop de brommer. Met mijn grootvader wandelen langs de rivier. De rivier is bevroren. Mijn opa kijkt de verte dichtbij. Vakanties in Scheveningen. Vuurwerk in het Merwesteynpark. De avonden thuis. De zondagen. De HBS-tijd. Youth for Christ. De terp. Berlijn 1973. De film van Clif Richard in de Terp. De beginnende verkering met Klazien. De PA-tijd. Wonen in de Grotekerksbuurt. Marinka's geboorte. Een grote vlieger oplaten. Onze drie meiden zien opgroeien. Schoksgewijs. Als op de 8 mm filmpjes. Mijn werk. Ierland. Kindertheater met Hans. Met Hans en Kees naar New York. Het bezoek aan Jozef van de Berg. De gesprekken over literatuur met Joke en Werner. Het wandelen. Het rondje Dordt. Het rietlandschap en het strandje. Zoals op het schilderij. Ik heb tijd genoeg. En de dagen van de camino vervloeien met mijn leven. En voordat het laatste projectielicht van de hemelwand verdwijnt klauter ik naar boven.
Daar staan Rita en haar man bij mijn vuurplaats. Ook zij gaan nu spullen verbranden. En daar zijn Marjo en Karin. Het is al 11 uur geweest. Ik loop met hen mee naar het dorpje. Af en toe razen snelle auto's voorbij. Het vuurtorenlicht strijkt over de donkere wereld. Lichtjes in de baai. Wanneer we Fisterre binnenwandelen zie ik Berrt. O ja, zijn spullen staan nog op mijn hotelkamer. En hij maar wachten op me. Nee, rik, het is okay. Geeft niets. Ik houd toch niet van slapen. Berry neemt het leven zoals het is. Echt, het is net alsof ik me in een film bevind. In een boek. Heeft de camino me opgeslokt? Ik Jona. Wanneer spuugt ie me weer uit? Met zijn vieren lopen we door de doolhofstraatjes van Fisterre. Het loopt tegen twaalven.

Dag 89 woensdag 18 mei

"Zullen we nog een biertje drinken?" We stappen een kroeg in. Alles ziet er verslonst en haveloos uit. De kroegbaas: een giechelende dwerg met bolle oogjes. Hij verschuilt zich achter zichzelf en achter de tapkast. Alsof hij bang voor ons is. Ze vinden dat mijn verjaardag gevierd moet worden. Karin beheerst Portugees. Ze vraagt de dwergman om kaarsen. Uit de diepte van zijn gewelven haalt hij een houten doosje voor de dag. Met oude kaarsen. Marjo en Karin zetten vijf kaarsjes op de bierflesjes. Mijn vijftig jaren. Ik steek ze aan. En het is dus ook de bedoeling ze uit te blazen. In een blaas zijn ze uit. Wat is dit voor symboliek: je eigen levensjaren uit blazen? Alsof het in het leven om meer dan levensjaren gaat? Om het gezellig te maken steken we kaarsen ook weer aan. Nog een rondje bier. De kroegbaas begint zenuwachtig te worden. Hij kan niet langer stil zitten en begint in het Spaans-Portugees te ratelen zonder ons aan te kijken. Karin vertaalt. "Hij denkt dat wij heksen zijn en dat we hier aan zwarte magie doen. Die kaarsen moeten weer uit." We doen de kaarsen uit. Maar het mannetje blijft zenuwachtig. Plotseling is hij verdwenen. Hij komt met drie stinkende schelpen terug en geeft ze ons. Om de boze geesten te verdrijven? Nu wil dwergmans ons weg hebben. Hij maakt driftige gebaartjes. Te langzaam naar zijn zin verlaten we de kroeg. "Ik heb nog nooit zo'n vreemd begin van een verjaardag meegemaakt," zeg ik. Karin en Marjo gaan de refuge in via een toegang die Berry kent. Ik haal Berry's rugzak op. Ik loop met hem mee naar het strand waar hij in het pikkedonker zijn tent wil opzetten. Ik staar nog even naar het donker spiegelende water in het haventje en ik begeef me daarna naar mijn hotelkamer. Ik schrijf nog een tijdje. Schrijven is ook een manier om de draad nog een beetje vast te houden.
's Morgens bij een bak koffie raak ik in gesprek met Frederico uit Columbia. Hij heeft geen speciale gevoelens bij de camino. Ook geen aparte ervaringen. Zo zegt hij. "Ik had ook geen verwachtingen."
Met mij is het anders gesteld. Vanaf de vreemde gebeurtenis in de kroeg heb ik de hele tijd het gevoel dat ik me in een boek dat zich door mij laat schrijven bevind. Maar voordat het boek me loslaat moet ik nog zoiets als een opdracht doen. Zoiets als 'het laten verdwijnen van het hart van het boek'. Ik bevind me in een vreemd reisgezelschap. Niemand weet precies wat hij wil gaan doen. Ik wil naar het strandje waar ik Berry 's avonds naar toe bracht. Renée wil met me mee. Ik heb al besloten de bus van kwart voor 2 naar Santiago te nemen. In Santiago ga ik dan op zoek naar een Travel Agency om een vlucht te boeken. Ik heb dat besloten, omdat ik ervan afzie met de trein terug te reizen. Dat leek me eerst zo fantastisch. Dan kon ik heel die camino nog eens de revue laten passeren. Maar dat heb ik nu genoeg gedaan. Bij de oceaan. Ik ben nu klaar voor vertrek. Reizen met het vliegtuig is net zo duur als met de trein. En je word er mijns inziens minder gaar en grijs van. Op het lege strand willen we alle twee alleen zijn. Ik maak artistieke foto's van mijn wandelschoenen in het zand. Alsof een niemand ze aanheeft. Renée loopt langs de golven. Dan hoor ik Berry roepen. Hij wenkt me. Ik ga naar hem toe. Hij heeft al wijn ingeschonken. "Het is immers jouw verjaardag," zegt hij. Hij klinkt geëmotioneerd. Ik was van plan geen alcohol meer te nuttigen, maar dit is een speciale aangelegenheid. We luisteren naar de zee. We kijken naar de golven. We zeggen niet veel. Het afscheid zit in de lucht. We proeven de ruimte. We worden heel serieus opeens. Berry wil hier nog één dag blijven. Om naar de zee te kijken. En daar verschijnen Karin en Marjo. Mijn verjaardagsvisite. Met nootjes en een blikje olijven. Berry smeert een boterham met kaas voor me. Hij haalt zijn gevonden schelpen voor de dag. Ik moet er eentje uitkiezen. Ik zie Renée verderop op het strand zitten. Alleen. Ze moet er toch ook bijzijn. Ik loop naar haar toe. Ze huilt. Heel geëmotioneerd. Omdat het nu afgelopen is. Donderdag gaat ze ook met het vliegtuig naar huis. Ik zit even bij haar. Het geluid van de zee. We lopen naar Berry en Karin en Marjo. Zo zitten we een tijdje op het lege strand. Andere pelgrims verschijnen. Renée wil Ricardo spreken. Karin en Marjo gaan naar de refugio. Ik ben met Berry alleen.
Plotseling staat Berry op en begint te huilen. Niemand begrijpt dit. Hoe de zee door hem en mij heen slaat. Ik heb niets genomen, niets gegrepen. Ik heb die hele camino maar laten gebeuren en daardoor allerlei fantastische mensen ontmoet. Mensen met verhalen. Berry en ik kijken elkaar aan. Hij slaat zijn armen om me heen. En daar sta ik te huilen. Schokkend. Wat is dit? Ik verdien zoveel vriendschap niet. Hij zegt dat ie me zo waardeert. Dat er heel veel mensen de camino lopen, maar dat er maar een paar zijn die hem raken. "Ik kom echt een keer bij je langs. We hebben nog heel wat af te kletsen," beloof ik. Tranen op onze wangen. We kijken naar de zee die net zo zout is. Daar staan we dan. Uitgehuild. Renée, we moeten de bus van kwart voor 2 hebben. Ze wil nog een lied in het engels overschrijven. Ik heb geen zin in haasten. Het is mij om het even. Ik kan altijd nog de bus van half 5 nemen. Niets staat nog vast. Tegen half 2 wandelen Berry en ik terug. Renée komt later. Ik zie de bus wegrijden. Renée heeft intussen al iets geregeld. Ricardo moet een stel naar Madrid brengen met een huurauto. Hij kan Renée en mij afzetten in Santiago. "Je kunt daar overnachten in een appartement waar ik ook mijn spullen heb, als je vanavond nog niet met het vliegtuig vertrekt" zegt Renée. Lijkt me een prima idee. Ik neem afscheid van Berry die nog een laatste mop wil vertellen. Met zijn vijven in de auto. Volgestouwd met bagage. Rugzakken op onze schoot. Twee-en-een-half-uur rijden. We rijden door hetzelfde landschap als waar we doorheen wandelden. Maar het bereikt ons niet meer. Het blijft buiten. We stoppen een keer wanneer we bekende pelgrims zien. Karsten uit Oost-Duitsland. Jean-Pierre. Ik deel brood en fruit uit. Ik realiseer me: "We zijn nu pelgrims af." Ricardo kent de stad Santiago op zijn duimpje. Na een keer bezoeken. Je hebt van zulke mensen. Hij zet me bij het Travel Agency af. Van Renée krijg ik het adres van het pension vlakbij de kathedraal. Zij gaat nog met Ricardo en het stel mee om iets te drinken.
Het Travel Agency gaat net open. Twee pelgrims die ik niet ken voor me. Ze willen naar Lyon met een vliegtuig. Blijkt een kostbare grap. 1295 euro. "Dat wordt niks," denk ik al. Maar het is zo geregeld. Santiago-Schiphol, voor 290 euro, donderdagochtend 7.15 u. vertrek, 12.00 u. aankomst in Amsterdam. Ik ben blij. Donderdag dus al thuis. Wat snel allemaal. En wat belachelijk vreemd zo maar in eens geregeld. Ik dwaal door het Santiago-doolhof. De stad komt me nu veel vriendelijker, zachter en zonniger voor. Ik vraag zeker zes mensen naar de plek van het adres. Ik ben er vlakbij wanneer ik Renée zie. Ze moet iets van haar kamer halen en gaat dan daarna nog naar ricardo en het stel. Tot mijn verrassing heeft Marieke, die ik ooit in Tempelaros sprak, hier ook een kamer. Ze deed me toen al aan Han Roodvoets denken. Ze had me toen verteld dat sojamelk prima spul was tegen de hoofdpijn en een gemakkelijker 'overgang'. Ik had dat Klazien weer verteld. Marieke en ik gaan ergens in de stad een biertje drinken. Ik bel Klazien collect call. Klazien natuurlijk huilen aan de telefoon wanneer ze hoort dat ik zo snel al weer thuis zal zijn. Zo wordt er op de dag dat ik 50 ben geworden heel wat afgehuild. Bij een biertje wisselen we onze camino-ervaringen uit. Marieke vertelt over haar caminomaat Jean-Pierre die op een moeilijk stukje route telkens lieve briefjes voor haar achterliet, gedichtjes, herinneringen aan gesprekken. Soms loop je lang met elkaar op. Dan weer loop je een tijd alleen. Je kunt geen aanspraak op de ander maken. Dat is wel iets vreemds denk ik voor een buitenstaander: hoe dat gaat - samen een tijd met iemand oplopen, maar toch niet iets organiseren voor elkaar de hele tijd door en het aan de camino overlaten. Een keer bleef er de hele tijd maar een jongen bij haar in de buurt. Totaan het kruis met al die stenen. Wat bleek? Daar strooide hij een deel van de as van een overleden pelgrimsvriend uit. Hij wilde dat zij er bij was. Als een soort moeder. Marieke heeft last van iets in haar voet. Het lopen gaat niet lekker. Daarom gaat ze morgen met de bus naar Fisterre. 't Is weer es prettig ongebreideld Nederlands te kunnen praten. Na twee biertjes lopen we terug naar het pension met de groene deur. De binnenstad van Santiago blijft voor mij een doolhof. Ik douche me en doe een tuk. "Heb je zin om ergens met me te gaan eten?" vraag ik Marieke. Ik heb met Renée verder niets meer afgesproken in de veronderstelling dat ze al met anderen iets afgesproken heeft. Zo wandelen Marieke en ik zomaar richting ergens. Marieke wil nog een pen kopen. Wat is dat met pennen, de laatste dagen? Ik wacht. Dan lopen we verder. En zo lopen we Renée in de armen. Toevallig. Ze is een beetje down. En ze heeft honger. En ik heb trek in een pizza. Het is immers mijn verjaardag. Marieke en Renée zien ook wel wat in een pizza. Er schijnt hier maar een echte pizzatent te zitten en daar lopen we zo direct op af. "Het is jouw feest," zeggen ze plagerig. "Ik trakteer natuurlijk," zeg ik. "Misschien dat pizza's in de vreemde nog een meest aan eten thuis denken," merkt Marieke filosofisch op. Prima pizza trouwens. En ik win nog een bon voor een fles cola. Morgen inleveren. Grapje.
Met een fles wijn en plastic bekertjes in een plastic zak lopen we met zijn drieën naar het plein van de kathedraal. Daar bij het grote hek, op een soort stenen drempel, is nog een eilandje zonlicht. Ons plekje. Eerst laten we Renée punt 0 middenop het plein zien. Vanaf die plek begint het tellen van de kilometers op de schelpenpaaltjes. Ik maak een foto. We zitten op de grensplek. Renée in het midden, ik links, Marieke rechts. Van de rechterkant van het plein klinkt het geluid van een zanger die in een poortje op zijn gitaar speelt. Van links klinkt de zoekende melodie van een klarinet. Ik herken plotseling de melodie. Een stukje uit de film 'the unbearable lightness of being'. De treurzang van het kortstondige leven. Daar zitten we dan op het drempeltje van de eeuwigheid in het laatste zonlicht van de dag. Dicht tegen elkaar aan. De armen in elkaars armen. Er zijn nauwelijks mensen op het plein. Ja, de ene man in zijn potsierlijke pak met lintjes. De Santiagoman. Een enkele pelgrim passeert. Op de fiets. Of lopend. Enkele Spaanse stelletjes. Een politieauto rijdt langs. De lage zon staat in de opening tussen de twee gebouwen rechts. Nog even en dan zal ze achter de bomen daar in de verte verdwijnen. Het pure licht. Verblindend goud. Hoe kun je deze entourage verzinnen? Het is bijna cliché. We zeggen niet veel. Ik volg de melodie van de klarinet, kijk naar de meeuwen in de hemel. Dit is meer het decor van een boek dan werkelijkheid. Een andere bekende melodie. Air van Bach. Vertrouwde klassieke topper. Maar nu toch anders. Trager. Terwijl Marieke met haar mes de kurk van de fles probeert te krijgen gebeurt het. Ik schiet helemaal vol. Nu pas. In schokjes. En het blijft maar komen. Daar zit ik me toch te janken. Het glinsterende gouden licht. Die zoekende melodie. Renées koude hand. Marieke die de kurk echt niet van de fles krijgt. Naast me huilt Renée. Heel zachtjes. Heel stilletjes. Traansporen over haar wangen. Al de emotie, die hele camino, stroomt eruit. Al die dagen. Al die momenten. "Ik probeerde op het strand te huilen. Maar het kwam niet. Nu komt het vanzelf," zegt Renée. Het doet pijn. Het heeft alles zo met het leven te maken. Afscheid nemen. Laten gaan. En zo neemt de zon ook voor deze dag afscheid. Een mooiere zonsondergang daar achter die boomtoppen dan gisteren en eergisteren. Marieke vertelt over Jean-Pierre. Hoe hij precies op het moment dat ze hem nodig had voor haar aanwezig was. Dat als je te veel iemand tot jouw beschikking wil hebben, dat er dan niets gebeurt. Dat je alleen moet durven en kunnen zijn. Dat het vanzelf wel weer goedkomt. Iemand die je helpt. Ook ik krijg de kurk van de fles er niet af. Met mijn nieuwe vulpen duw ik de kurk dan maar in de fles. Het laatste gouden lichtdruppeltje verdwijnt achter de bomen. Ik schenk de wijn in. We vertellen elkaar weer onze caminoervaringen. Alsof we die dagen op de een of andere manier samen willen vatten. "Het landschap waar ik door heen wandelde opende zich meer en meer. Het had met me te maken. En ik raakte er zelf open door," vertelt renée. Ze wil de Santiagoman ook een glaasje wijn aanbieden, maar die mag niet drinken 'onder werktijd'. We zitten op een plek waar de tijd stilstaat. Er worden foto's van de kathedraal door passerende toeristen en pelgrims gemaakt. Flitsen. En zo moeten we met zijn drieën op menig foto staan. In het bleke hemelblauw tussen de twee gebouwen rechts verschijnt de eerste ster. Een gevoel van tederheid. We zijn elkaar dankbaar om dit. We drinken wijn. En zomaar begint het. Recht tegenover ons. Bij de bogen van het paleis. Zes mannen zingen een gregoriaans lied. Hun krachtige stemmen vullen het plein. Acapella. En daarna nog een lied. Gregoriaans. Prachtig meerstemmig. De klarinet links verstomt. Er is alleen dit zuivere zingen van die mannen. "Je verjaardagscadeau," merkt Marieke op. Weer moet ik huilen. Dit is zo vreselijk ontroerend. Je vergeet jezelf. Alleen die stemmen. Alsof het gevoel van iets groters ons draagt. En ik moet denken aan Klazien die ik morgen terug zie. We vergeten de tijd. Na het laatste lied is er even die ingehouden stilte. Dan een zwak applaus. Wij klappen ook. De mannen verlaten zacht zingend het plein. En op die manier blijft hun gezang denkbaar. We zijn moe. Langzaam lopen we terug naar het pension met de groene deur. Santiago heeft een vreemd spel met me gespeeld. Vrijdag maakte de stad me bang en somber. En nu geeft de stad ons alles aan licht, aan energie, aan muziek. Zo van: "Ga thuis verder met de weg die je hier hebt gevonden."

Dag 90 donderdag 19 mei

Om half 6 wachten Renée en ik op het drempeltje bij de groene deur op de taxi die ons naar de luchthaven brengen zal. Renées vliegtuig vertrekt een uur later. De tocht naar het vliegveld duurt ruim een kwartier. Inchecken. De rugzak laten gaan. Naar het restaurant om samen wat te eten. Afscheid nemen van mijn wandelcaminomaatje. Het gebeurt allemaal razendsnel. Ik sta al in de rij van passagiers. Achteraan. Een korte omhelzing. Het laatste oogcontact. En dan het toestel in. Voor mij is het afscheid van Renée tegelijk het definitieve afscheid van de camino. Ik ben uit de film en uit het boek gestapt. Het gaat nog sneller nu. Het taxiën over de startbaan. Het opstijgen. Ik wil wat gaan schrijven in de krappe behuizing van mijn vliegtuigstoel, maar mijn nieuwe vulpen lekt zo dat binnen enkele ogenblikken mijn handen vol inkt zitten. Ik besluit dan maar mijn eerste dagboekje van de tocht te gaan lezen. Het meest vreemde is dat ik me niet ongelukkig voel. Ik zie wel een soort overeenkomst tussen al de meegemaakte soorten afscheid. Het afscheid van Klazien voor de Moerdijkbrug staat me nog heel helder voor de geest. Renée en ik hebben elkaar beloofd nog eens te schrijven. En zo doen we het toch vaak: niet in een afscheid geloven.
Vaak bij het verlaten van een refugio zeiden we tegen de anderen: "I'll see you." En in mijn kop zit dat plaatje van de laatste keer dat ik mijn collega Ine zag vastgebakken. Die blik in haar ogen. "We zien elkaar." Misschien is dat de beste levensinstelling: niet in afscheid geloven. Soms tegen beter weten in. Maar dan nog.
Na ruim een uur landt het toestel in Barcelona. Ik weet niet of mijn bagage automatisch in het andere toestel wordt overgeladen en of ik een nieuwe boardingpas moet halen. Maak ik me weer voor niets ergens druk over. Al weet je het natuurlijk nooit. Ik zie geen enkele pelgrim meer, denk ik. Nee toch. Twee fietsers zonder fiets. Hebben die in Spanje achter moeten laten, omdat het vervoer per vliegtuig duurder was dan een nieuwe fiets kopen. Ik koop een fijnschrijver, die ook niet goed schrijft blijkt later. Om 10 uur vertrekt het toestel. Ik vraag een zakenman of ik zijn balpen mag lenen. Prima. Tegen twaalven begint het vliegtuig te dalen. Ik zie een Nederlandse stad bij de kust. De zee. De polders. Het toestel heeft een lange weg te taxiën. Door de tunnel naar de aankomsthal. Dan het lopende-band-wandelen naar de bagagehal. En dan, eindelijk, eindelijk in de bagagehal. Waar komt mijn bagage terecht? O, ik sta juist goed. Verder lopen. Kijken of misschien... Ja, daar staat ze. Ik loop direct naar Klazien toe. Alleen nog een glaswand tussen ons in. Ik kijk om. Daar is mijn rugzak al. Snel nu. Klazien omarmen. Kussen. Elkaar vasthouden. Al die 90 dagen zonder elkaars lijfelijke aanwezigheid. Naar de treinen. Perron 5. Klazien die me maar blijft bestuderen. Hoe mager ik ben. Dat ze mijn botten voelt. We hebben een plekje bovenin een dubbeldekkertrein. We krijgen niet genoeg van elkaar. Een Nederlands boterhammetje met Nederlandse kaas. We zijn weer het verliefde stel. Na Rotterdam bevindt zich geen enkele andere passagier in dit gedeelte. Het rijk voor ons alleen. Inmiddels heb ik ook ontdekt dat ik mijn wandelstok waaraan ik uren heb besteed om die op te halen in bars en winkels op Schiphol heb achtergelaten. We heel symbolisch. Nou ja. En dan sta je daar dan opeens in Dordt. En je kijkt naar de gevel van het station. Ja hoor, de punt staat nog achter de plaatsnaam. (Daar heeft Cees Buddingh' ooit op gewezen. Schijnt uniek te zijn: die punt) Het is of ik niet weg geweest ben. Dordt met de gewone dordtse mensen. Zullen we even bij Werner en Joke langs gaan. Tuurlijk. Op weg naar huis. Werner zien. Joke. We omarmen elkaar. En weer is er dat spiegelende. Even sta ik met Berry op het strand aan het einde van de wereld. En ergens weet ik nu heel zeker: de mensen thuis en de mensen tijdens de camino: zo heel erg verschillend zijn ze niet. Hier in Dordt kan ik weer genoeg ouwehoeren over de diepste dingen van het leven. En in het Nederlands. Joke geeft me hun verjaardagscadeau. Cannetti's 'het martyrium'. Over de boekenvreter. Alles past voortdurend. Thuis. Ilsa, middenin de examens, die me aandachtig bekijkt. Weer in de armen van een echte dochter. Dan zie ik het kleed over mijn stoel. De tijd dat ik weg was heeft Klazien 'de stoel' aan een metamorfose onderworpen. Helemaal uit elkaar. Geschuurd. Gelakt. Opnieuw gelijmd. Nieuwe prachtige donkerblauwe bekleding. Weer schiet ik vol. Marinka en Pascal komen langs. Aniek in een flits. Alles past weer. Mijn echte levensjasje is niet verbrand.
's Avonds laat bekijk ik nog eens de teleac-documentaire over de Camino. Ik zie het oude priestertje dat door Manfred in zijn witte gewaad geholpen werd. Ik zie die andere priester, die onze namen zou blijven voorlezen totdat we Santiago bereikten. Ik zie beelden van Fisterre. En ik hoor zowaar de koekoek. We zijn weer thuis bij elkaar.

Hier houd ik het maar bij. Er valt veel meer te vertellen. Maar ik ben weer thuis. Dus dan kun je gemakkelijk langs komen. Diepzinnige gesprekken over het leven. Of gewoon een beetje uithangjassen. Je bent welkom. Ons huis is te herkennen aan een geel met blauw caminoschelpembleempje dat ik vrijdagochtend op de deurpost getimmerd heb. Klazien werd er wel wreed door uit haar slaap gewekt. Ik was weer vroeg op. Nog steeds trouwens.

24 mei 2005

thuis

Na dag 90

"Je valt in een diep donker gat wanneer je weer thuis bent," zeggen sommigen. En: "Het zal wel wennen zijn wanneer je weer thuis bent. Dan begint het gewone leven weer."
Ik ben nu bijna een week thuis. Het gewone leven is nog niet begonnen. En ik beleef thuis zijn niet als een vreselijke toestand. Eerder heb ik bij sommige dingen het gevoel dat de sfeer van de camino - duidt dat woord nu op een soort religieuze ervaringsinstelling? Worden anderen buiten mij nu niet moe van dat caminogedoe? - gewoon doorgaat. Daar werk ik ook zelf wel een beetje aan mee, want na thuiskomst hebben Klazien al drie keer een flinke wandeling gemaakt. Opmerkelijk ook is dat ik me tamelijk 'open gevouwen' voel. Vooral net na thuiskomst ontroerden een aantal dingen me heel erg en moest ik weer huilen, iets wat ik normaal gesproken nauwelijks doe. Toen ik het radiostukje van Klazien hoorde bijvoorbeeld. En toen ik mijn verjaardagscadeau zag: mijn stoel, helemaal opgeknapt en de kussens opnieuw met prachtig donkerblauwe stof bekleed.
Baard en wilde haren zijn er inmiddels af. Geen enkele broek is goed meer. Alles slobbert. Iedereen vindt me erg mager. 12 kg lichter is ook niet niets. De eerste dagen na thuiskomst had ik ook bibbers. Vooral mijn handen. Ik realiseerde me dat ik al die 90 dagen als een dijker gegeten had. Soms 8 kuipjes yoghurt, 3 sinaasappels, 3 appels, 2 bananen, veel brood, cake, kaas, een fles yoghurtdrank, spaghetti, soep, patat, een fles wijn, een pul bier, 5 koppen koffie groot enz. per dag.
Er zijn veel dingen waar ik me achteraf over blijf verwonderen. Allereerst dat veel mensen minutieus op de hoogte zijn van mijn dagelijkse beslommeringen. Hoefde ik weinig uit te leggen. En waar ik me in ieder geval over bleef verwonderen was mijn fysieke gesteldheid. Niet eerder in mijn leven heb ik me zo fit, zo energiek en zo sterk gevoeld. Geen enkele dag ziek. Een heel klein beetje verkouden tijdens de overgang kou-hitte. Nooit diaree. Ik kon vooral op het eind aan heel weinig slaap toe. Soms 4 uur of minder. Zat ik weer meer dan 2 uur middenin de nacht te schrijven. Nooit hoofdpijn. Geen blaren (wel bij anderen). Geen spierpijn. Geen last van enkels, knieën en onderbenen (ook niet bij lange afdalingen). Alleen in het begin van mijn onderneming last van mijn linkerarm. Dat ik 2 dagen nauwelijks mijn riem kon vast gespen. Waar heb ik dat aan te danken? Doorzettingsvermogen? Wilskracht? Ik weet het niet. Ik leefde wel bij de dag. Maar ik was ook nieuwsgierig: hoe zou de volgende dag weer zijn?
Een flinke dip had ik. Tot op de bodem. Schrapen over de bodem. In Santiago. Daar schreef ik over. Bijna als een koorts. Hier wil ik uit weg. Heb ik dan ook gedaan. En dag 85 tot en met 90 werd voor mij daarna toch wel het hoogtepunt van mijn hele onderneming. Ook zoiets. En dat wil ik allemaal nog minutieus in kaart brengen. En daar heb ik flink de tijd voor nodig. Ik ga er ook vanavond nog niet aan beginnen. Ik heb het sommige mensen wel al verteld. Ik beleefde die laatste 5 dagen echt als klimmen naar een hoogtepunt. En wellicht was het hoogtepunt wel dat ik Klazien achter de glazen wand in Schiphol, toen ik de bagagehal betrad, zag. Maar ook de momenten daarvoor hadden iets van een feest: mijn verjaardag onder andere. De meest vreemde die ik ooit in mijn leven meemaakte.
Heel gek is dat 19 februari naadloos aansloot op 19 mei. Het verhaal daartussen was rond. Alles klopte. Ik heb ook het gevoel dat het verhaal rond kan zingen. En op meer dan één manier. Meer dan ik verwachtte heb ik mogen ontvangen. Ik heb geen pasklare antwoorden op levensvragen gekregen. Maar ik heb wel mijzelf gezien. Ik weet nu nog beter waar ik met mijzelf aan toe ben. Wie dat maffe hangjastype van een Rik Meeldijk is. Ik had me drie dingen voorgenomen: een steentje achterlaten, mijn jasje verbranden en een verhaalidee voor een schrijfproject dat ik mijzelf in het vooruitzicht stel vinden. Dat is ook allemaal keurig gebeurd.
Mijn verslag op het internet is een topje van de ijsberg. Het zijn momentopnamen. Toen ik thuis kwam en mijn rugzak leeg schudde (een groot deel van de inhoud was kleffig en slonzig) dacht ik: "Dat kan zo de vuilcontainer in. Op een paar dingen na: mijn drie volgeschreven dagboekjes. Wanneer ik die zou zijn kwijt geraakt dan was ik een zeer ellendig mens geweest." Nog steeds wil ik 'het verhaal' uitwerken. Ik ben daar nog niet aan begonnen. Het een en ander moet nog bezinken.
Het is net of ik een kwart van een jaar mis. Alsof het jaar een grote hik heeft gemaakt. Dat tussen 19 februari en 19 mei is niet echt gebeurd. Ik kan me nu ook echt niet voorstellen dat die andere vent dan dat ik nu ben 2400 km lang met die rugzak op zijn rug van huis naar het einde van de wereld bij de grote zee is gewandeld. Dat is iets voor een boek. Dat is geen werkelijkheid. En zo voelt het ook: ik sta nu naar mijzelf als naar een ander te kijken. Ik kan me echt niet indenken dat zoiets mogelijk is. En dat die beste jongen zich dan ook nog gelukkig voelt.
Ik heb vanochtend mijn eerste foto's opgehaald. De foto's van de Pyreneeen met een wegwerpcameraatje en de andere foto's van het hele stuk door Spanje met een goedkope camera. Ik zag de mensen met wie ik optrok weer terug. Als de verschillende romanfiguren in een eventueel te schrijven boek. Ze glimlachten me toe vanaf de kiekjes. Zo van: "Ja, we wachten op je. Ga jij nu maar je verhaal schrijven." Ik zag de verschillende landschappen. Wat zijn die open. En nu begrijp ik hoe je al voort wandelend na 30 dagen toch een tik van dat opene krijgt. Dagen lang overdag geen plafond boven je kop. Dagenlang geen muren om je heen. En telkens weer verder. Als het doorbladeren van een boek. Steeds weer afscheid nemen van een gelezen pagina, want zo was het wandelen: het lezen van een landschap. Of een andere metafoor: je wandelt over de tekst. En je voetstap brengt de ruimte tevoorschijn. Eerder ook zo bedacht: wandelen, lezen en schrijven zijn beurtelings metaforen van elkaar.
Ik weet nu wat schrijven is. Niet dat ik een schrijver ben. Dat ambieer ik ook niet. Nee: ik weet wat schrijven is. En ik weet nu ook wat wandelen is. En 'schrijven' en 'wandelen' verschillen voor mij ook niet zoveel van elkaar. Ik wist eerst alleen van wandelen in de zin van een dagtocht van 20, 25 km. Zo wist ik ook van het schrijven van korte verhalen, die ik mijn hangjasjes noemde. De langste tocht ooit voor de camino was een vierdaagse wandeling van Dordt naar Amsterdam. 100 km. Met volle bepakking (een inferieure rugzak). Vond ik heel wat van mezelf. Maar dit was andere koek. Tot Chartres wist ik echt niet of ik sowieso zou slagen. Ik kon na Chambrai al tegen mijzelf zeggen: "Zo jongen, je bent in ieder geval een keer in je leven België doorgewandeld." Maar pas na 400 km ging ik er echt in geloven. Het wandelen had bezit van me genomen. Ik hoefde enkel nog de weg te volgen en bij de dag te leven. En: te vertrouwen. Te vertrouwen. Op wie? Op wat? Moeilijke vraag. Op iemand die meer is dan ik me voor kan stellen. Op de weg zelf. Op de ruimte erom heen. Op de ruimte in me. Mensen noemen dat 'je hart'. Je ziel. Je levenskern. Iets waar je zelf niet bij kunt. "Op God," vind ik zelf te gemakkelijk gezegd. Daarmee doe ik God tekort. Daarmee maak ik van God een instelling. Iets dat religies, kerken en andere clubs al te veel hebben gedaan. Zeker de protestantse kerken. En zeker de Roomskatholieke kerken. Vooral daar in Noord-Spanje. Maar dat is mijn mening. En ik ben daar ook weer dubbel in, omdat ik ook ervaren heb dat diezelfde instellingen soms als hoogspanningsmasten waar de stroomdraden aan hangen kunnen zijn. Ik ben meerdere keren eenvoudige kerkjes binnen gestapt. Ik heb meerdere keren een mis bezocht. En al kon ik er geen woord van verstaan, ik wist: hier gebeurt iets dat met mijn voort wandelen te maken heeft. Ik wil liever zwijgen dan een exacte omschrijving geven.
Zoals met het wandelen ging het met het schrijven in mijn dagboekjes. Het schrijven nam bezit van me. Het werd een soort dialoog. Niet alleen met mezelf. Maar ook met iets of iemand dat buiten me stond, dat anders was dan ik zelf. En ik had er een vreemd genoegen in dat andere in het schrijven die hele reis te blijven opzoeken en ontmoeten.
Ik heb ervaren dat 'geluksgevoel' één kant van iets veel groters is. De andere kant van dat veel grotere is 'een gevoel van verdriet, van voortdurend afscheid'. En vaak zit het verdriet op de hielen van het geluk. Zo voelde ik ook mijn eigen kracht. Ik voelde tegelijk hoe kwetsbaar ik was. Dat zal me toch vooral bijblijven: die voortdurende paradox. Dat in het leven de dood schuilt, in het geluk de rouw, in het begin het einde, in de eeuwigheid het ene kortstondige moment.
Het schrijven is een stroom. Het wandelen is voortgaan in die stroom. En mijn pen werd soms een gevoelige naald, die via mij van alles kon registreren. En ik hoefde alleen maar die pen vast te houden en het verhaal onder mijn handen vandaan zien komen.
En nu heb ik het verhaal. Maar het is bijna onmogelijk om dat verhaal een twee drie vorm te geven. Maar ik zal mijn best doen. Het verhaal gaat indirect over de camino. Het enige dat me rest: het verhaal af te lezen in al die verzamelde schrijfsels. Ik moet nog beginnen.
Naast het verhaal zijn er 12 hangjasjes. Ik heb ideeen omgewerkt in 12 verhaaltjes. Elke week eentje.
En voordat ik nu stop met deze 'inleiding' op de laatste vijf dagen van mijn tocht, schrijf ik een van deze hangjasjes over, omdat dit verhaaltje duidelijk maakt wat er met me gebeurde.

Aanzichtportier.

"Ik moet nu toch maar eens verder gaan aan waar ik een jaar geleden mee begon. Met het verven van de deuren op de overloop. Waar heb ik ook al weer de verf gelaten?"
De zinnende beeldmaniak daalt af in het keldergewelf. Hij vindt daar zowaar het kratje met de twee potten verf die hij voor de lambrisering en twee deuren op de overloop heeft gebruikt. Verf met een zeer speciale samenstelling. Een bijzonder soort hemelblauw. Het zit hem mee deze dag waarop hij wil gaan toegeven aan zijn nuttige voornemen. In de krat bevindt zich immers een nog ongebruikte kwast. Hij neemt het krat mee naar de keuken.
"Schuren doe ik niet. Heb ik ooit al gedaan. Ik neem de deur nog wel af met dat speciale middeltje dat de stofdeeltjes opneemt."
Met een oude onderbroek en dit speciale spul dat zich ook in de krat bevindt bewerkt hij de deur van de logeerkamer. Badkamer- en slaapkamerdeur zijn al in hemelsblauwe kleur gehuld. Het schoonmaken is in een mum van tijd gebeurd. Nu kan het echte werk beginnen. Met een mes uit de keukenlade wipt hij het deksel van de verfpot. Geen kliederboel op het aanrecht. Het zit hem mee.
"Ach, er zit een vel op. Maar dat frutsel ik er wel uit."
Het gaat hem echt goed af. Met hetzelfde mes ontvelt hij de lak. Het druipende schijfje krijgt hij zonder geklieder in het afvalbakje aan de binnenkant van het middelste keukenkastje. De verf in de pot glimlacht hem tegemoet.
"O ja, de kranten."
Van het haardbankje pakt hij de dikke zaterdageditie. Genoeg om de vloer rondom de deur te bedekken. De huisschilder stroopt de mouwen op, neemt pot en kwast ter hand en begeeft zich met het materiaal naar de plek waar het allemaal gaat gebeuren. Hij doopt de kwast in het hemelblauw, veegt wat aan het binnenrandje van de pot af en zet de eerste stevige streek op het deurpaneel.
"Zo, dat gaat direct fantastisch. Het lijkt wel of het hemelblauw vanzelf zijn eigen weg zoekt. Sterker nog: de deur laat me het verfwerk doen op een manier dat ik er zelf nauwelijks aan te pas kom. Dit verven, dat doe ik niet. Dat doet de verf zelf. Ik laat me door deur en hemelblauw leiden."
Geen enkele druiper. Geen spatje. Niet op de vloer. Niet op zijn kleren. Zelfs niet op zijn handen en armen. Terwijl hij normaal bij dit soort verfklussen de hele boel rondom en aan hem van verf voorziet.
"Dit gaat gewoon vanzelf. Wat mooi strak. Wat keurig en glad. Ik sta gewoon versteld over mijzelf. Al betwijfel ik of dit wel echt mijn werk is. Kom ik hier zelf nog wel aan te pas? Dit gaat gewoon zo."
Het is werkelijk een fraai stukje vakmanschap dat zich hier laat zien. Het hemelblauw komt er zonder enige oneffenheid op te staan. En hij kan maar niet stoppen. De kunstenaar die zich door het kunstwerk laat leiden moet wel doorgaan. Zo is de deur binnen een half uur klaar. Met de kwast in de hand neemt hij enige afstand van zijn werk om het zo eens nauwkeurig te aanschouwen.
"Ik ben werkelijk zeer verbaasd over mijn eigen kunnen. Wat een speciale glans ligt er op mijn werk. Het heeft iets transparants. En het is ook op een bepaalde wijze ruimtelijk. Ik kan er gewoon in kijken. Warempel, ik zie er ook wat in. Een Spaans berglandschap. Kijk nou toch: dat hemelblauw spiegelt groene weiden bespikkeld met witte schaapjes tevoorschijn. En ik zie ruige bergtoppen bedekt met sneeuw. Wolken zie ik in de blauwe lucht. Maar nee, het is net of ze bewegen. Nee, ook die schapen bewegen. Wat is dit? Dit is heel wonderlijk."
De hemellandschapschilder gaat pal voor de deur staan om het landschap tot in de kleinste details in zich op te nemen.
"Dit is wel even wat anders dan het sombere moeraslandschap in mijn huiskamer beneden."
Nieuwsgierig opent hij de deur van de logeerkamer. Helaas, achter de deur is enkel de logeerkamer. Het berglandschap, hoe ruimtelijk het zich ook op het deuroppervlak tevoorschijn spiegelt, is alleen op de deur zelf waarneembaar. Rechts ziet hij nu een lieflijk huisje. Met een rood pannendak, een wit schoorsteentje waar rook uitkringelt. Groene luiken. Gehaakte gordijntjes voor de vensters. Een tuintje met knalrode rozen. Hij schrikt. De deur van het mooie huisje gaat open. In de deuropening staat...
Juffrouw Lijntjes.
"U hier?" roept hij uit.
Ze kijkt op. Ze kan hem dus horen. Glimlachend komt ze naar hem toe. Ze is mooier dan ooit. Met haar wijnrode blouse en de witte rok. Blootvoets. De lange kastanjebruine haren los.
"Dag Hangjas. Wat een verrassing dat we elkaar zo kunnen zien en zo kunnen horen. Nu pas kan ik je echt goed zien. En dat is heel wonderlijk voor mij: iemand die zo graag het beeld dat hij van mij heeft in zijn hoofd wil zien hier op deze plek zelf te kunnen zien."
"Ik begrijp dit niet, juffrouw Lijntjes."
"Ik ook niet. Maar is dat zo belangrijk: dit te kunnen begrijpen?"
"Ik weet het niet. Wat ziet u trouwens vanuit uw positie? Hoe kom ik over? Wat ziet u in mij?"
"Ach, ach, ach, Hangjas. Altijd weer die vragen van technische aard. Ik zie jou gewoon. En dat is me genoeg. Je staat in een soort halletje. Achter je zie ik een trap."
"Dat klopt. Daar ben ik. Het is mijn eigen huis. Ik was bezig een deur te schilderen. En toen verscheen in eens een berglandschap. En toen kwam u daaruit tevoorschijn. Maar waarin ziet u mij dan?"
"In de schuur. Ik kwam naar buiten omdat ik een klap hoorde. Dat was de schuurdeur die uit zijn hengsels viel."
"Bent u daar altijd? Bent u daar werkelijk?"
"Ach Hangjas, je blijft maar vragen en vragen. Zijn er geen belangrijkere dingen te zeggen tijdens ons samenzijn? Dat we elkaar kunnen zien, dat we met elkaar kunnen spreken, dat is toch bijzonder."
"Vindt u het dan fijn dat u mij kunt zien en horen?"
"Wat is dat nou een gekke vraag, mallerd. Je begrijpt nog steeds niet wie ik echt ben."
"Wie bent u dan werkelijk?"
"Het verhaal van je hart. De ene zin die daarin diep verborgen is."
"Maar nu bent u in beeld. Hoe kan het verhaal van mijn hart nu een vrouw als u zijn?"
"Snap je dan niet dat ik die vraag nooit zal kunnen beantwoorden. Ik ben er nu eenmaal zo. Zo door jou gezien. Zo door jou in beeld."
"Ik zou wel echt bij u willen zijn. In dat berglandschap. Dat lijkt me de hemel op aarde. Ik zou u aan willen raken. Kan dat niet?"
Ze glimlacht.
"Kan een boek zijn schrijver aanraken?"
"Ja, op een bepaalde manier wel."
"Zo, Hangjas, zijn we door elkaar vast gegrepen zonder elkaar aan te kunnen raken."
"Ik wil meer dan dit, juffrouw Lijntjes."
"Kijk me maar aan."
Op dit moment kijkt de hemelkunstenaar zijn droombeeld diep in de ogen. Eerst lijkt het een donker glanzend geheim, haar blik. Maar dan ziet hij in de glans het pure licht, ja ook het hemelblauw. En hij ziet het berglandschap, grootser dan de deur alleen. Met een weg die naar nieuwe landschappen leidt. Hij wil de weg gaan volgen. Zo tuimelt hij verder in haar hemelse blik. Hij zoeft door de kosmos. Eerst als een zilvermeeuw in de hoge lucht. Later zonder zichzelf. Er is alleen nog dit zien. Het duister om hem heen is niet bedreigend. Hij weet ergens waarnaar hij op weg is. Die ene ster tussen al die ontelbare andere sterren. Dat ene lichtdruppeltje in de verste verte. Het flonkert. Het heeft rode spikkelstraaltjes. Het doet hem denken aan een fladderende rode vlinder. Daar wil hij zijn. Daar moet hij zijn. Hij komt steeds dichterbij. Bij het lichtvenstertje. Nu ziet hij dat er iemand voor staat. Een soort mannetje. Hij ziet het figuurtje op de rug. En het lichtvenstertje, dat is een deur. Een hemelsblauw geverfde deur, waarin zich een berglandschap weerspiegelt.
"Maar... maar, daar in het allerdiepste van uw blik, dat ben ik zelf," stamelt hij.
Hij tuimelt niet langer. Eén ogenblik weet hij zijn diepste geheim.
"Ik ben niet van mijzelf. Het andere dan ik heeft me gezien. Ik mag er zijn. Ik mag er zijn. En dat is me genoeg," fluistert hij.
Hij is terug. Bij zijn deur. Nu heeft het hemelblauw als een sluier zijn geheim bedekt. Hij zucht.
"Het is er nog. Ik hoef het alleen maar te zien. Dit is nu voorbij. Maar het verhaal is nog niet gestopt. Ik ga de andere kant van de deur schilderen. Wie weet wat er dan gebeurt."

21 mei 2005

kaartjes van mei


14, 15 en 16 mei Van Santiago de Compostela naar Kaap Finisterre


13 mei Rik is in Santiago de Compostela!


12 mei Van Ribadiso de Baixo naar Santa Irene


11 mei Van Palas de Rei naar Ribadiso de Baixo


10 mei Van Ferreiros naar Palas de Rei


9 mei Van Triacastela naar Ferreiros


8 mei Van O Cebreiro naar Triacastela


7 mei Van Villafranca del Bierzo naar O Cebreiro


6 mei Van Ponteferrada naar Villafranca del Bierzo


5 mei Van Foncebadón naar Ponteferrada


4 mei Van Astorga naar Foncebadón


3 mei Van Vilar de Mazarif naar Astorga


2 mei Van Leon naar Vilar de Mazarif


1 mei Van Mansilla de las Mulas naar Leon

Berichten van de webmaster

Rik is thuis, de webmaster kan dus met een gerust hart met vakantie gaan.

Rik plaatst binnenkort misschien nog wat verhalen over de laatste dagen, dus blijf kijken!

Na mijn vakantie zien we wel wat we verder doen met de weblog.

Nog wat feiten over de polls:

21,4 % had gelijk met het idee dat Rik onderbroeken zou kwijt raken. Zijn pet heeft hij, voor zover ik weet, nog wel (35,7%).

14,3 % dacht terecht dat Rik op 13 mei in Santiago de Compostela zou aankomen. De 21,4 %, die dacht dat hij daar op zijn verjaardag op 18 mei zou aankomen had ook geen ongelijk, want toen kwam hij daar weer aan na zijn wandeling naar Finisterre.

Rik is 12 kg afgevallen (5 gaatjes op zijn broeksriem), dat voorzag 47,6% van de stemmers.

Ik hoop dat inderdaad 60% van jullie een onverwachte pelgrim voor je deur warm zal onthalen met eten en drinken, zoals jullie zeiden.

Tenslotte lijkt de vraag of je zelf naar Santiago de Compostela zou willen nu veelal met ja te worden beantwoord. De eerste keer dat ik die vraag stelde, was dat wel anders. Je kunt nog stemmen.

Van de afdeling statistiek: gemiddeld bezochten per dag zeker zo'n dertig verschillende mensen de weblog. Op 18 mei waren het er zelfs 61!
De meeste bezoekers kwamen uit Nederland (97,2%), maar er waren ook bezoekers uit Spanje, Frankrijk, België, Duitsland, Frankrijk en Zweden. (Wie is toch die trouwe kijker uit Duitsland?) Een enkele (misschien toevallige) blik werd er ook geworpen vanuit de VS, de Filippijnen, Denemarken en Canada.

Alle lezers en reactieschrijvers, bedankt!

Tot ziens!

Hannie

17 mei 2005

Er is er een jarig ...

Rik wordt woensdag 18 mei vijftig.
Die dag heeft hij trachten te ontlopen of misschien is hij er juist wel naar toe gelopen.
Het lijkt me leuk als alle trouwe webloglezers hem hier feliciteren.
Rik leest jullie wensen dan als hij weer thuis is.

16 mei 2005

Maandag 16 mei

Dag 87
Rik is gekomen tot het eindpunt van zijn wandeling Cap de Finistere.
Hij had gisteren de hele dag in de regen gelopen. Het was de natste dag geweest van zijn pelgrimstocht. Al zijn spullen waren vochtig geworden. In de refugio kon hij geen spullen drogen. Dus vandaag ging hij met natte kleding op pad. Aan het einde van de dag werd het droog en kon Rik zijn spullen onderweg drogen. Hij liep samen met Drew(de Australische jongen).
De kust is prachtig en doet denken aan Bretagne. Rik wil hier nog 1 of 2 dagen verblijven en dan gaat hij aan zijn terugreis beginnen.

14 mei 2005

Zaterdag 14 mei

Dag 85
Rik is uit Santiago vertrokken. Hij had geen zin om daar langer te blijven.Hij is nu in Negerera aangekomen.Het regende de hele dag.
Hij loopt nog wel met een paar bekenden.
Morgen gaat hij weer verder.

13 mei 2005

dag 84

Dag 84 Vrijdag 13 mei

Het is nu 16.50 u. Ik was eerst niet van plan om achter een pc te kruipen. Maar ik realiseerde me dat deze 84e dag van huis en het bereiken van Santiago toch in mij verslag thuis hoort. Achteraf van alles erover vertellen zou ook kunnen, maar nu is het nog allemaal vers.
Misschien vroegen en vragen jullie die me op dewebsite volgen wel eens af of deze jongen zichzelf onderweg nou wel eens tegenkomt. Tot nu toe had ik wel eens een gevoel van 'nou is het wel welletjes' en daarna krikte ik me er wel weer overheen, maar vandaag is het voor het eerst flink doorbijten. Gewoon met je emoties. Ik kan daarom niet echt genieten van Santiago. En een wij-gevoel is nu even ver te zoeken. Dat ligt echt niet aan mijn medepelgrims. e meesten stralen van geluk. Iedereen is in een opgewekte stemming. Nee, het is meer van binnen bij mij. Eerst acht ik dat ik het erg moeilijk zou vinenafscheid te nemen van zoveel mensen die ik heb leren kennen, maar het is toch - zo merkte ik vanochtend - meer naar huis verlangen, vooral naar Klazien. Ach, dat is natuurlijk allemaal wel vreselijk goed, maar het schrijnt. Toch wil ik niet al te sentimenteel gaan doen. Er zijn zoveel goede herinneringen. Alleen die konden me vandaag niet zo helpen. Voor mezelf vind ik dat de 3 dagen wandeling naar kaap Finisterre erg belangrijk is. Een soort afkickprocedure. Ik hoop ook echt de tijd en de rust te unnen vinden, voordat ik met een bus terug naar Santiago ga, daar dan weer overnacht, met e trein naar de Spaans-Franse grens om daarna met de TGV naar Parijs te reizen en vandaar naar huis. Het zal me wel 3 dagen kosten: terug van Finisterre naar huis. Het hangt ervan af hoe ik me voel: of ik morgen al naar Finisterre op weg ga, of zondag na de mis. Op 18 mei zou ik dan op Finistere aankomen. En dan ben ik de 21e thuis. Maar zeker is het nog niet. Ik schrijf er zo uitgebreid over omdat iedereen aan Klazien vraagt wanneer ie toch terugkomt.
Ik zal niet te uitgebreid de laatste dagen beschrijven. Gewoon wat kleine dingetjes. Het wandelen van de laatste etappe naar Santiago viel erg mee. Vooral drie dagen terug: heel liefelijk. Eucalyptusbos af en toe. Glooiend. Een beetje Engels. Veel met Renee en de Australiers en Berry opgetrokken.
Gisterenavond na weer een selfmade maaltijd met zijn allen heb ik verhalen (in het engels) verteld en voele ik me weer schoolmeester. Volwassenen dieaan mijn lippen hingen. Echt een soort afsluiting van eenperiode. Nog wat wijn drinken en laat naar bed. De oordopjes niet nodig, want in de grote ruimte waarin ik sliep was geen enkele echte snurker. Toch kon ik niet goed in slaap komen. Onrustig. Er om half 3 uit. Maar weer wat gaan zitten schrijven. Kwam er een Spanjaard die niet kon slapen vanwege het gesnurk. Ik heb met tekeningetjes en gebaren uitgelegd dat ie op het boven me kon slapen. Dat was vrij. Vanochtend vroeg had ik gewoon een pestbui. Ik wilde eigenlijk echt even helemaal niemand aan mijn hoofd. Ik heb stilletjes mijn zaakjes ingepakt en ging om 7 uur al op pad. Het vertrek werd ingeluid met een stevige regenbui. Na een half uur donder en bliksem. Paste wel bij mijn humeur. Het werd al snel droog. En de meeste pelgrims ullen geen spatje regen hebben gehadvandaag. Ondanks de voorspellingen. Om 11.05 uur overschreed ik de gemeentegrens van Santiago. Om 12.00 uur liet k mijn spullen achter in een refugio. En om 1 uur was ik in de binnenstad. Mijn compostella halen en zo. Andere pelrims ontmoeten. De kathedraal is vooral van buiten imposant. Het vergulden praalwerk van binnen zegt me nu niet meer zoveel. Nou, dit is het zo´n beetje in het kort.
Ik hoop een volgene keer een wat vrolijker stukje te plaatsen. Maar het is god te weten dat ik niet altijd in de gloria-supermens ben.
Een naar huis verlangende pelgrimsgroet.
Rik

Vrijdag 13 mei

Dag 84
Rik heeft Santiago de Compostela gehaald! Vanochtend is Rik vroeg opgestaan.Hij wilde de laatste kilometers alleen afleggen.Dat is gelukt.
Inmiddels heeft hij zijn stempels binnen. Vanmiddag gaat hij de stad bekijken. Het is nu al heel druk.
Het schijnt in de zomer zo druk te zijn dat je over de hoofden van de mensen kan lopen.
Rik weet nog niet of hij lang in de stad zal blijven. Het is voor hem iets te druk. De meeste mensen zijn in een juichende stemming. Maar bij Rik is dat nu anders. Hij heeft eigenlijk heel veel zin om naar huis te gaan. Maar hij wil nog naar Cap de Finistere lopen. Dat is zo'n 90 km.
Vanavond gaat hij in de stad eten met zijn Australische kennissen.

Kijken of je Rik ziet?

In Santiago de Compostela staan een aantal webcams opgesteld. Je kunt zo dus een kijkje nemen in de kathedraal en in de stad.
Je vindt de links naar de webcams op deze site.

http://www.crtvg.es/ingles/camweb/primenucamarasflash.htm

Je kunt daar de volgende plekken bekijken:

Cathedral Botafumeiro (het enorme wierrookvat in de kathedraal)
Obradoiro Square (plein voor de kathedraal)
Mount Pedroso (uitzicht over de stad)
Praterías Square (plein waar het pelgrimskantoor is)
Quintana Square (plein waar de Heilige deur is)
Cathedral central nave (het middenschip van de kathedraal)

12 mei 2005

Donderdag 12 mei

Dag 83
Er was deze dag slecht weer voorspeld. Maar het bleef droog en het werd aan het einde van de middag zelfs erg warm.Rik is gekomen tot Santa Irene.De laatste refugio's op de route worden kwa voorzieningen minder. Ze zijn minder schoon. Toiletten zijn verstopt enzo...
Rik voelt dat hij een enerverend weekend tegemoet gaat. Het voelt alsof hij in een heksenketel terecht gaat komen. Je merkt het aan de sfeer onder de mensen.Er zal straks afscheid genomen gaan worden van een aantal mensen die je waarschijnlijk nooit meer zal zien.In deze hektiek is Rik 2 onderbroeken kwijt geraakt .Hij heeft er toch maar 1 extra gekocht want 2 onderbroeken is toch wel erg weinig. Je moet dus erg goed op je spullen letten want voordat je het weet zijn ze verdwenen.
Morgen hoeft Rik nog maar 23 km te lopen en dan is hij in Santiago! Wat een prestatie!
Hij wil het pinksterweekend toch maar wel in deze stad blijven. Zondag wordt natuurlijk een happening. In de kerk wordt dan gezwaaid met een ontzettend groot wierookvat. Dat is een hele belevenis.
Na dat weekend zal Rik nog een paar dagen alleen verder naar de kust lopen.Hij wil dan even tot rust komen.

11 mei 2005

Dag 82

Woensdag 11 mei
Rik is vandaag gekomen tot Ribadiso da Baixo.
Hij heeft vandaag tijdens het wandelen de groep wandelaars het liedje "sinterklaas kapoentje"aangeleerd. Ze hebben veel gelachen met elkaar. Ook heeft Rik oordopjes vandaag gekocht omdat hij nogal vaak uit zijn slaap wordt gehouden door snurkers.
Hij is nog 42 km van Santiago verwijderd.

10 mei 2005

Dinsdag 10 mei

Dag 81

Rik is vandaag gekomen tot Palas de Rei.Hij heeft vandaag zo'n 34 km afgelegd.De afstand ging vanzelf.Het was druilerig weer.Onderweg maakte Rik nog iets naars mee. Een pelgrim was onderweg gestorven. Hij had een hartaanval gekregen.Het was een Fransman die de camino al gelopen had en op de terugweg was. Dit maakte wel indruk op alle mensen. Onderweg kom je ook veel kruizen tegen van pelgrimgangers die onderweg gestorven zijn.

9 mei 2005

Maandag 9 mei

Dag 80

Rik is vandaag gekomen tot Ferreiros. Hij is nog 100 km verwijderd van Santiago de Compostella. Het landschap doet erg aan Zuid-Engeland denken. Het is heel lieflijk.

Foto's uit Spanje

Er zijn wat foto's uit Spanje aangekomen!
klik op
http://fotoalbum.dds.nl/goos/pelgrimrik

om een beeld te krijgen van Riks belevenissen in Spanje!

Goos

8 mei 2005

dag 79

Vanuit dag 79 zondag 8 mei (gefeliciteerd tante To, ik ben tot nu toe nog een postkantoor tegengekomen. En mam, fijne dag deze moederdag.)

Vanuit dag 79

Een echt zondags ontspannen gevoel nu. In het slaperige dorpje Triacastela hebben we een prima refugio gevonden. Niet een municipal, maar een prive met kleinere kamers en een goede badkamer. Mijn kleren wentelen nu rond in een wasmachine. En we, Renee en een francaise Cecile en ik arriveerden hier om 2 uur. Ik heb mijn middagdut al achter de rug. Het is allemaal andere koek dan gisteren toen de 'zware weg' afgelegd moest worden. Ik ga nu een beetje zitten schrijven en ik begin met een verslagje.
Van Villafranca naar O Cebreiro is dus de bekende zware weg. Om verschillende redenen. De lengte, de zware beklimmingen en het middenstuk langs de doorgaande weg (in de brandende zon). Ik begon met dag 78 op een zo rustig mogelijke manier. Iedereen verkeerde weer in een rush, in een soort koorts. Dat dat niet slim is zo vreselijk vroeg te vertrekken moeten de meeste medepelgrims nu toch wel weten. Wat is immers het geval. Degenen die laat aankomen krijgen de beste kamers, zoals in de bekende gelijkenis. Nu zegt dat ook weer niet alles, want een onregelmatige snurker op een ruime kamer kan e boel al vergallen. Regelmatig ronkende snurkers zijn niet echt vervelend, maar snurkens die in een soort doodstrijd met zichzelf zijn verwikkeld en meer rochelen dan boomzagen veroorzaken een soort spanning. Natuurlijk, oordopjes zijn een oplossing. Maar tot nu toe gebruik ik ze niet. Misschien de laatste 100 km wanneer zich van die easy compostelapashalers 8vooral spanjaarden9 zich in het pelgrimsvolk mengen. Maar ik dwaal af. Ik had besloten te lijden en dus toch mijn rugzak te dragen tijdens de zware weg. Renee had het advies van de kliniek gekregen drie dagen rust te houden. Deed ze dus niet. Maar ze besloot wel haar rugzak naar O Cebreiro op te laten sturen, zoals het merendeel van de pelgrims deed. In haar tas deed ik mijn spijkerjasje en ander ruimtevullend spul, zodat in mijn rugzak de etenswaren en belangrijke spullen konden. In het begin loop je in zoekende groepjes. Om half 9 al verkeerd gelopen. Terug naar Villafranca. Duurde weer een half uur. En dan het steile pad recht omhoog de berg op. Ik was in de mood om te vechten. Het duurt wel even en je zweet al je kwaje stoffen uit je lijf, maar dan word je toch wel beloond met waanzinnige uitzichten. Prachtige bloeiende heiden. Veel witte lelieachtige bloemen. En dat gele spul. We kwamen Jeannette uit Zeeland en Marie en Corrie uit Nederland tegen. Corrie was schrijflerares op de Pabo. Heb daar ook het hele onderwijs mee doorgenomen, maar natuurlijk ook de ervaringen van de camino. Een aardige anekdote. Een priester gaf haar niet een werkelijk stempel in haar caminopas, maar een stempel in haar hart. En zo kun je de camino zien: dat je dagelijks een nieuwe impressie, innerlijk maar ook met het decor van het landschap op je hart gedrukt krijgt. Na een prachtige bergwandeling en een redelijk steile afdaling komt dan het middenstuk langs de autoweg. Toch hebben Renee en ik dat in een bekend spelletje omgezet. Een ding, een persoon, een plant of dier, enz. bedenken en er elkaar naar laten raden. Antwoorden met alleen ja en nee. En dat varierde van 'gele caminopijl', vogelbekdier, Eiffeltoren, Hillary Clinton, brandnetel tot Middellandse zee. Mijn Engels gaat er met de dag op vooruit. En ik had nu helemaal het gevoel met een vierde dochter te maken te hebben. Het laatste stuk was klimmen, van het ene dorp naar het andere, en zo steil af en toe dat je je je helemaal kapot zweette en aan de tril ging. Wat heb ik een water gedronken. Ook op een plek mijn voeten in een ijskoud waterbassin. Hielp. Ze waren oververhit. Het allerlaatste stuk passeer je de grens en ben je in Galicie. Waanzinnige vergezichten weer. Contouren van wijkende steeds vager wordende bergen. Eerst een giga-bier voordat ik naar de refugio ging. Je ziet dan weer veel bekenden. Ook van die vroeg-opweggaanders die hier dan al om 2 uur aankwamen. Ik was hier half 7, maar onderweg namen we vaak onze rust. Ik probeer Renee een beetje te behoeden voor haar zelf. Die blaren zien er nog niet zo gezellig uit. Maar zonder rugzak lopen was prima zo. Tijdig stoppen onderweg. Schoenen uit. Sokken uit. Eventueel wisselen van sokken. Of zalven. De laatst aangekomenen kregen de beste kamer. Met een stel Spanjaarden en Renee een maaltijd in elkaar geknutseld. Veel nieuwe Nederlanders hier gezien. Helaas was ik te moe voor intensieve gesprekken. En ik vond het erg prettig lang met thuis te kunnen spreken. Het geeft nog steeds een heel dubbel gevoel. Het verlangen om weer thuis te zijn wordt sterker en sterker. Het idee dat het einde in zicht is, dat de wandeling binnen 2 weken afgelopen is, ook dat is in zekere zin ook onverteerbaar. Het is een paradoxaal gevoel dat me een beetje in de war brengt. Niet dat ik niet naar huis wil, maar al die 11 weken aan de wandel zijn in je ziel geprint. Vaak neem ik de tijd nog even helemaal alleen te zijn. Ook gisterenavond. Ik had een prachtig plekje bovenop een plat dak en ik keek naar de prachtige rozige hemelgloed en al die bergen, die voortgolfden voorbij de horizon. Wachten tot het donker ze langzaam in bezit nam. Ik viel als een blok in slaap. Mijn horloge hapert, zoals alle apparatuur in mijn omgeving tot nu toe. Mijn horloge staat ook steeds vaker zomaar stil. Ik gebruik de juttermethode om 'm weer te laten lopen. Ergens vannacht werd ik wakker. Van een doodsrochel niet zo ver van me vandaan. Ik eruit. Om een tijdje te gaan zitten schrijven. Geen bijzonderheid meer. De doodsrochelaar trok me niet echt aan. Dus pakte ik slaapzak en kussen, schoof een bankstel in de recreatiezaal tegen een ander bankstel en sliep daarop tot half 7. Toen flitste het licht door een of andere pelgrim aangestuurd aan.
Een zelf georganiseerd ontbijt. Met wat instantkoffie, yoghurt, een sinaasappel, brood e.d. Om half 9 vertrokken. Renee is een prima wandelmaatje. Je hoeft niet persee te praten of zo. En zo voelt het aan als met vrienden of familie op stap. Het was een prachige bergwandeling met weinig ups en downs. Heel ontspannen dus. Af en toe in een barretje een lekkere grote bak cafe con laitsjee. Om 2 uur dus hier. Ook weer Drew, Mary en Yvette uit Australie hier. Zo gaat het dus de hele tijd. Met mensen aan de praat raken en elkaar weer treffen.
Het wordt natuurlijk steeds overzichtelijker hoe de komende dagen zullen worden. Mij maakt het allemaal niet zo uit wanneer ik in Santiago aankom, maar voor de rest van de pelgrims begint het een hoofdzaak te worden. Zelf wil ik natuurlijk ook liever vrijdag 13 mei dan zaterdag 14 mei aankomen. Dan is alles nog open. En in het Pinksterweekend zal het daar wel een heksenketel zijn. Renee wil perse op vrijdag aankomen om spullen bij het postkantoor op te halen en een vlucht naar de VS te regelen. Dat is ook met Cecile, de francaise van plan. Iedereen lijkt een soort timelimit of deadline te hebben. En ik relativeer zoals altijd de boel bij elkaar. Ook voor andere figuren. Op de een of andere manier beginnen mensen tegen me te kletsen. Gisteren ook weer een gesprek met een Nederlandse fietser uit Maastricht, een Han. Een Canadees vroeg zich af of Renee en ik vader en dochter waren. Hij begreep mijn vreemde Amerikaanse accent niet. En dan menig gesprek over de caminoervaring met verschillende Duitsers. Waar ik echt ook veel plezier mee heb is de Australische familie. Die is erg uitgelaten en vrolijk. Ja, wat moet ik verder vandaag nog vertellen? Dat ik het nog steeds erg naar mijn zin heb, dat het mooie weer al deze dagen een godsgeschenk is. Vandaag niet echt vreselijk warm. Dat het landschap hier betoverend mooi is. Dat wist ik al van het gidsje en voorstudies. Tja, waar heb ik het allemaal aan te danken. Van Klazien hoorde ik dat Douwe die weer thuis is de foto's heeft opgestuurd. (Wanneer je dit leest Douwe. Ontzettend bedankt) Ik ben erg benieuwd, want ik heb ze nog niet in het groot gezien. Nou, dit moet het maar weer ongeveer zijn. Ik ga zo de was ophangen, wat etenswaren voor morgen kopen en lekker relaxen.
Een zeer ontspannen pelgrimsgroet,
Rik.

Klimmen en dalen.

Als je bij het overzicht van de refugio's kijkt, kun je zien dat Rik op 6 mei in Villafranca del Bierzo op 504 meter hoogte zat en op 7 mei in O Cebreiro op 1330 meter hoogte.
Ruim 800 meter hoger dus!
Vandaag daalt hij weer af naar 665 meter hoogte.

Ook de afstand tot Santiago de Compostela kun je zien: vanochtend was Rik nog 158 km van zijn doel verwijderd.

Zaterdag 7 mei

Dag 78

Rik heeft vandaag de berg beklommen. Hij heeft zijn eigen spullen gedragen. Het ging goed.Het was een zware helling maar goed vol te houden.Hij heeft van half negen tot half zes gelopen.Hij heeft ongeveer 31 km gelopen.
Hij zit nu in O Cebreiro. Morgen loopt hij een korter stuk van zo'n 21 km.

6 mei 2005

dag 77

Dag 77 Vrijdag 6 mei

Even heel kort. Ook in deze refuge een pc. Vandaar. Vandaag de tocht van zo'n 24 km van Ponteferrada naar Villafranca, aan de voet van de bergen. Morgen begint de zware weg. Waarschijnlijk zal ik mijn rugtas meegeven. Het is zonovergoten onbewolkt weeer. De zon brandt. Prachtig: het naderen van deze volgende bergketen. Al kon de wandeling vandaag niet zo mooi zijn dan gisteren. Stukken langs de autoweeg. Erg warm. Dertig graden 's middags. Aan het eind van de middag met Renee naar de kliniek gegaan vanwege de blaren op haar voeten. Ziet er niet echt gezellig uit. Weer opgetrokken halverwege met de Australiers en Berry uit Engeland. In deze refuge weer mensen tegengekomen die je een tijd niet zag. Ook twee Nederlandse vrouwen uit Veldhoven. Niet eerder gesproken. En een groep met paarden.
Nou, we merken het morgen allemaal wel.
Geduldige pelgrimsgroet,
Rik

dag 76

dag 76 donderdag 05 05 05 *gefeliciteerd Mieke

Het is wel een heel bijzondere dag voor mij wandelend naar mijn verjaardag toe. Ik zit nu iets over enen middenin de nacht in een zeer grote refugio in Ponteferrada achter een pc. Ik kon niet slapen. Van drie kanten kwam het zware mannengeronk op me af en tegelijk is er ook nog het grote geluksgevoel dat me wakker houdt. Nog 202 km te gaan. Met herinneringen ook aan het telefoongesprek met Klazien gisterenavond, dat het moment dat we elkaar weer terugzien gelukkig elke dag dichterbij komt, want ondanks het feit dat deze tocht een overtreffende trap aan prachtige momenten kent, voelt dat toch ook wel elkaar weer willen zien, heel dichtbij elkaar willen zijn, een gebeurtenis die zich mengt met deze 5e van de 5e in 2005.
Wat maakte deze 5e van de 5e zo bijzonder? Woensdagavond hadden we met ons gezelschap van 11 mensen in de refugio van Foncebadon op de hoogste plek van de hele camino de kortste kerkdienst die ik ooit in mijn leven meemaakte. In het heel bijzondere eenvoudig ingerichte kerkje naast de refugio die door twee geweldige Spanjaarden geleid wordt. Pepe en Paco. Iedereen mocht het Onze Vader in zijn taal opzeggen. En dat was het. Maar het was zo teder en zo heilig daar in die ruimte dat je je met het gropotste gemak een glimlach van Godzelf voor kon stellen. We hebben er geweldig gegetren met elkaar. Ik was de hele dag opgetrokken met Renee, die ik een beetje als een vierde dochter beschouw. We kenden verder niemand van de pelgrims. Maar na deze avond had iedereen er weer heel veel familieleden bij. Berrie uit Engeland bijvoorbeeld. Een moeder met haar oudere zoon en dochter uit Australie, Mary, Drew en Yvette. Twee Franse jongens Guillaume en Alexis die ook al een tocht van ruim 40 dagen achterr de iezen hadden, een Duits echtpaar *de man met problemen aan zijn been*, de oude Jacques op zijn fiets. We hadden tijd tekort om elkaar onze verhalen te vertellen.
En toen we deze ochtend opstonden was de hemel zo helder als glas. En dat bleef de hele dagzo. Het was vrieskoud. De rijp op het groen. Ik hoorde de koekoek, het Caminosignaal voor mij. Renee en ik verlieten als laatsten deze refugio Maria de Magdalena. Ik liep een eind vooruit en moest bijna janken zo mooi was het berglandschap. De bossen, de enorme kolossen van besneeuwde bergen, het zuivere en een onvoorstelbaar vergezicht. En zo ging het maar door. Dale, de Canadees, die ik weer later sprak, zei dat ie vijf rolletjes vol geschoten had, zoveel moois was er te zien. Ik hield het maar bij 5 foto-s. Het meeste fotografeer ik toch met mijn ogen. En dan komt het ijzeren kruis. Echt een emotioneel moment. Ik diepte mijn steentje op, terwijl Renee haar lievelingslied op een houten hek met een viltstift aan het schrijven was. Daar bovenop die steenhoop aan de voet van de houten paal met een klein ijzeren kruis heb ik mijn kiezel achtergelaten. De hele reis verkeerde het steentje in gezelschap van een heel mooi steentje van Nelleke, mijn zus. Dat steentje neem ik weer verder mee. Het is net een museum daar bovenop de steenberg. Wat allemaal niet aan dierbare dingen achtergelaten werd. Van tandenborstel, aanstekers, de mooiste steentjes en hangertjes tot wandelstokken toe. Onder een van de stenen zag ik een duitse brief die in april geschreven was. En nog leesbaar. Ik kon het niet laten. Las een paar zinnen. Het was een wanhoopsbrief. Van iemand die zijn spijt uitsprak om wat ie gedaan had. Dat ie geen vrienden meer had. En dat hij de camino deed om in het reine te komen met zichzelf. Ik las niet verder. Het was te persoonlijk. Meer dan een half uur hebben we naar al die wondrbaarlijke levensedelsteentjes gekeken. Toen kwamen Pete en Steve, twee engelsen die ik deze hjele camino blijf ontmoeten. Zij houden de gewoonte er op na in hotels te slapen en in duurdere restaurants te eten. Maar het zijn geen kwaje boys, al ken ik medepelgrims die het niet zo op hen hebben.
We wandelden verder door het landschap. Renee zong het lied voor me dat ze had achtergelaten en ik zong een Herman van Veen lied, kon er mee door. Renee komt uit de VS. Ze is 23. Ze doet me op meer dan een manier aan Aniek denken. Doet ook kunstacademie. Onderbrak een jaar haar studie om na te sparen door Europa te reizen en kwam te weten over de camino. Het veranderde haar heel sterk. Het landschap werd steeds fraaier. Bergdorpjes. Tenslotte een prachtig dorp met een rivier, waar je met je voeten in het ijskoude water kon. Daar troffen we Pete en Steve op een terras en Barry en de Australiers bij het water. Lange pauze. Veel kletsen over dit mooie landschap. En daar was Jeannette, de Nieuw Zeelandse die we eerder ontmoet hadden, maar die we een tijd niet gezien hadden. Iedereen dacht dat Renee en Jeannette moeder en dochter waren. Het werd warmer het laatste stuk. Renee heeft al de hele camino enorm veel last van blaren. En niet zo-n beetje ook. Nu kreeg ze er weer last van. Ze heeft alles al uitgeprobeerd. Een Spaanse verpleegster heeft haar wijs gemaakt dat wanneer ze erg opgezwollen zijn dat je zo door moet prikken en dan een katoenen draadje in het wondvocht als drain. Er bestaan hier meer vreemde methodes. De refugioman bijvoorbeeld smeert er een tube creme op uit en pakt ze dan in met een kilo pleisterveband. Jeannette gaf haar vanavond dure wollen sokken. Ik denk dat dat de beste oplossing is. Hetziet er niet uit. Vlak voor de redelijk grote stad Ponteferrada liepen we nog straal verkeerd. Ik had het boekje niet goed gelezen. Daarin stond duidelijk vermeld dat je op deze plek niet de gele pijlen moest volgen. En het werd warmer en warmer. Om half 6 na zo-n 30 km kwamen we in de grote refugio aan. Renee kon geen stap meer zetten. Ik ging inkopen in de stad doen. Portie heel gezond. Veldsla, olijven, paprika, mais, asperges, tomaten, enz. voor de salade vooraf. Aardappelen, bonen en erten en linzen in diepvries als maaltijd. Alleen maar opwarmen. Yoghurt toe. Het was druk in de keuken. Iedereen was bezig. En al die maaltijden worden dan ook weer een beetje met elkaar gedeeld. Ik heb nog lang mijn dagboek niet bijgeschreven. En ik ga dat ook niet doen. Want de refugiobaas die hier tot 1 uur nog bezig was zei dat ik gerust in de stille ruimte bij de pc op de bank mag slapen. Om half 11 nog een lang gesprek met Barrie, de engelsman, over het leven, de camino, deze dag. Ook nog een lang verhaal in het gastenboek geschreven. Iets dat ik ook niet kan laten. Verhalen achterlaten. Zoals ik een steentje achterliet. Zoals ik deze stukjes op deze website achterlaat. Om mijn geluk uit te spreken. Ook wel met een ondertoon van verdriet soms, omdat ik ook ervaar dat wij als mensen ons leven eens achter zullen moeten laten. Dat geluk heel dichtbij verdriet zit, ervaar ik nu. Omdat je het kwetsbare van het leven zo sterk ervaart.
Mijn woorden zijn ontoereikend. Er valt nog veel meer uit te leggen. Te vertellen. Te beschrijven. Het is allemaal maar eentipje. Weet je in ieder geval dat er nog meer verhalen wachten.
De 6e mei kom ik aan in Villafranca. De 7e mei begint het echte werk. De meest steile klim van de hele camino. Het echte zware werk. Net als de meeste pelgrims zal ik waarschijnlijk mijn rugzak voor 2 euro boven laten brengen. Ik heb gehoord dat het zondr bagage al een hele onderneming is. En verder zitten mijn schoenen weer beter dan ooit. Voordat ze gerepareerd werd begon ik iets in mijn onderbenen te voelen. Ik weet nu door de te ver afgesleten hakken. Het gaat nu weer prima. Ach, ik stop nu maar. Het is 2 uur. En morgen zal de Titanic wel weer zinken om 6 uur, wanneer iedereen tegelijk van boord wil. En dat is al over vier uurtjes.
Weet je dat ik me echt niet voor kan stellen hoe jullie die dit lezen ervaren. Nou ja, ik hoop dat ik een beetje zo heb geschreven dat je je kan voorstellen dat het wel een heel bijzondere onderneming voor me is. Of ik er door verander? Ikzelf denk ten diepste niet. Wel is het waarnemen feller, sterker geworden. Een soort helderheid schreef ik eerder. En ook de verbondenheid met thuis voel ik sterk trekken. Iets dat heel paradoxaal is. Aan de ene kant omdat je ergens wil dat het niet ophoudt. Doet het ook niet, want ik neem me voor al de ervaringen op de een of andere manier toch thuis verder te laten gaan. Aan de andere kant, omdat je weet en ervaart dat je thuis niet hier is. Dat ik weer gewoon naast Klazien in bed lig, bij de Plus boodschappen doe, bij Ted mijn pijptabak koop, bij die en gene langs ga om gewoon te ouwehoeren, mijn werk te doen. Ja, ook daar ligt toch wel mijn hart. Op de Kreek. Ach, ik merk hert allemaal wel.
Een groet van liefde,
Rik[b]

4 mei 2005

La cruz de ferro

Het kruis waar Rik morgen langs komt. Pelgrims laten daar een meegebracht steentje achter. Om bescherming tijdens de reis te vragen of om zich van zonden of zorgen te ontdoen.

Het plaatje komt van deze website

dag 75

dag 75 woensdag 4 mei.

Weer geen diepzinnigheden. Ik zit ook maar even achter de pc in de refugio van Foncebadon, niet zo ver van het bekende kruis verwijderd. Daar zal ik morgen mijn thuissteentje achterlaten. Heerlijk geslapen. Het prachtigste weer van de wereld. Omdat er niet zoveel pelgrims in de refugio waren was er ook geen Titanic-rush zoals ik in Leon meemaakte. Het gaat allemaal erg gemoedelijk. OM kwart voor 9 Astorgia verlaten. Ik liep op met Renee, een beetje een look a like van Aniek. Lijkt ook een beetje op een soort dochter. Ze heeft erg veel last van blaren (blisters). En moet ze echt af en toe doorprikken. Het loopt geweldig: mijn nieuwe hakken. Het wordt weer als het naderen van de Pyreneeen. Je ziet de enorme kolossen naderbij komen. Een soort berlandschap. Bloeiende heide. Het is zo'n 15 graden. Goed wandelweer. Zo'n 25 km gewandeld. Ontzettend ontspannen. Praten over boeken en films. Om half 5 in Foncabadon. Heeft weg van een bergdorpje.
Groeten,
Rik

3 mei 2005

dag 74

dag 74 dinsdag 3 mei

Waanzinnig goed uitgerust in de refugio Tio Pepe in Villars de Mazarife. Goed geslapen. Als enige pelgrim. Om half 8 mijn eigen ontbijtje. Met een lekkere bak koffie. En om 8 uur aan de wandel. Prachtige weg door verlatenheid. Geen andere pèlgrims tot ergens een dorpsel halverwege. Kwam daar Renee en Yean tegen, die ik kende van vorige dagen. Yean wilde in een dorp blijven. Zo wandelde ik op tot Astorga met Renee. Zou een dochter van Klazien en mij kunnen zijn. 34 km achter de kiezen. In Astorga schoenmaker gevonden. Zette er nieuwe hakken onder voor 3 euro. (da's weer es wat anders dan 15 euro) En om 8 uur vanavond ophalen. Bij een opticien een schroefje in mijn brillenpoot laten zetten. Nergens pelgrims die we kennen te vinden. Blijken hier vier refugio's te zijn. In de grote hier (tig bedden) zijn we slechts met z'n tienen. Dale wel in de stad gezien. Was hiewr al veel eerder. Was gisteren de route langs de autoweg gaan lopen. Ik zei nog. Vanavond hebben Renee en ik een eigen pelgrimsmaaltijd in elkaar geknutseld, met salades, heerlijke druiven, soep en pizza (in magnetron) Het is nog steeds mooi weer. Goed wandelweer. Niet te warm. Wel zonnig. De bergen die we straks moeten nemen zijn hier vasndaan al goed te zien. Hoge knoeperds. Ik voel me echt weer helemaal uitgerust. In tegenstelling tot gisteren. Toen voelde ik me werkelijk gesloopt. Wat kan een mens gelukkig zijn met nieuwe hakken onder zijn schoenen, met niet de hele tijd een wit pijperagervlekje rechts in het blikveld en een eenvoudige doch voedzamne maaltijd afgesloten met een tweetal bakjes aardbeienyoghurt.
Tot zeer diepe gedachtenbreisels ben ik nu niet in staat. De 34 km zijn nog in mijn benen. En ik ben nu al slaperig.
Groet,
Rik

De route

Gisteren heeft Rik een alternatieve route gekozen, iets langer, maar rustiger en mooier.

Je kunt het op dit kaartje zien. (de onderste route)