Dag 85 - dag 90
Toch maar een uitgebreid verslag van de laatste vijf dagen, omdat ze voor mij toch wel het uiteindelijke gezicht van de camino vormden.
Dag 85 zaterdag 14 mei.
Om 8.00 uur verlaat ik met Berry de refugio Aquario aan de rand van de binnenstad van Santiago. De regen stroomde neer. Ons eerste doel: koffie in een bar. Buiten is het een aquarium. Wij zijn twee visjes die ons aan het water overgeven en naar de grote zee op weg zijn. Ieder zo met zijn eigen gedachten. Ik moet aan die andere regendag van de modderstromen naar Estella denken. Het vinden van de juiste weg gaat ons heel wat gemakkelijker af dan de afgelopen nacht.
Om 7 uur vrijdagavond had zich zo'n beetje de hele losvaste groep pelgrims van de laatste dagen verzameld op het plein. Pas toen zag iedereen iedereen weer. Losgeweekt uit de heksenketel van toeristen, pinksterfeest en dagjesmensen. We maakten foto's van elkaar. Dit werd het afscheid. Niet iedereen zou naar Fisterre gaan. Met zijn allen waren we ook gaan eten in een restaurant. Een laatste pelgrimsmaaltijd. De sfeer van 'tja, zo zien we elkaar voor het laatst, laten we gezellig en leuk doen'. Mij lukte dat niet helemaal. Om 10 uur waren Berry en ik toen op weg gegaan naar de refugio. Helaas verdwaalden we zo hopeloos in de stad dat mensen die we aanklampten om ons op de kaart aan te wijzen waar we precies zaten ons mededeelden dat die plek niet meer op de kaart stond. Toch kwamen we na meer dan een uur weer in een herkenbaar gebied.
Daar is een barretje. Een van de weinige. Want de meeste spaanse kroegen zijn 's morgens dicht. Heerlijke koffie. En warempel even verderop een tabakswinkeltje waar ik mijn voorraad pijptabak kan aanvullen. Ook nog fruit en yoghurt gekocht. We passeren de kathedraal. Heel anders dan vrijdag. De kathedraal knipoogt met een glimlach. Zo van: "Van mij ben je nog niet af." Tamelijk snel zijn we de stad uit en gaan we over liefelijke bospaden. De vertrouwde Eucalyptusbomen. De engelse muurtjes. Het parkachtige. Berry - zijn wandeltempo ligt wat lager dan dat van mij - is metselaar en timmerman van beroep. Hij helpt gevangenen met bouwprojecten om zo te kunnen rehabiliteren. Hij is van plan in de nabije toekomst naar India te gaan voor vrijwilligerswerk. We praten over boeken en films. Gebeurtenissen uit ons leven. Hoe vreemd 'verbeelding' kan zijn. De gesprekken komen in steeds dieper vaarwater. Natuurlijk denk ik ook aan de anderen die nog in Santiago zijn. Renee blijft daar nog een of twee dagen. Yvette heeft haar voeten zo stuk gelopen dat naar Fisterre wandelen er niet meer in zit. Haar broer Drew is ook vandaag gaan wandelen naar Fisterre. Haar moeder Mary en zij komen via de bus over drie dagen naar Fisterre. Berry en ik zien Santiago in regenvlagen achter ons verdwijnen. Er staat veel wind. En verder: regen, regen en nog eens regen. Een stop bij een bruggetje. Daarna een barretje in Augapessada. Het blijft regenen. Het is net of dat ook zo hoort.
Berry vertelt het verhaal van 'Small Gods' van Terry Pratchett. Over goden die mensen zoeken die in hen moeten geloven anders blijven ze klein. Zo is er een krokodillengodje waarin maar twee mensen geloven. Dat is het dus. Met de verbeelding. Hoe meer mensen in iets geloven hoe krachtiger het niet bestaande object wordt. Zo gaat het met heel veel in de wereld. Met reclame, met religies, met ideeen. Het is ook het verhaal van de camino. Het is niets, maar omdat mensen erin geloven wordt het alles. "Het is alles en het is niets," had Marieke me verteld. En zoals met het Romeinse imperium: als iets te groot wordt stort het in. Het wordt een monument, een museum, iets dat versteent. Maar de vraag blijft: "Wat is de kiem die het leven uit het niets tevoorschijn bracht?" Want verbeelding heeft net als een parel in een oester een ongekende kern.
Berry wandelt altijd. Hij heeft geen auto. Doet zijn boodschappen in Engeland ook te voet. Ik vertel hem over "Out-of-the-box". Wij mensen zijn nietige schepselen in een immens universum, waarvan het begin vast lijkt te zitten aan het einde. Taal, denken en leven: bouwstenen die we nodig hebben om het leven zelf te spiegelen. Maar je kunt er niet uit. Je kunt niet uit de doos van het systeem. Je blijft er altijd in zitten en weten zo nooit iets objectiefs over de werkelijke situatie te vertellen. Het moet iets zijn buiten taal, denken en leven om willen we zicht krijgen op onze realiteit.
We volgen de gele pijlen. We krijgen de zoveelste hevige regenbui op ons nek. In een bar treffen we drie andere pelgrims, die we niet eerder zagen. Van zeventig jaar en ouder. Ger, een Nederlander, die de camino nauwkeurig met tekeningetjes en kleine lettertjes in kaart brengt, heeft jaren geleden de camino gedaan. Vanuit huis. In het Spaanse gedeelte ontmoette hij een Fransman, een Italiaan en een duitser. Ze zijn vrienden voor het leven geworden en ze zien elkaar nog regelmatig. Ze hebben een eigen taaltje ontwikkeld. De Italiaan kon niet mee. Maar ze wandelen de etappe Santiago-Fisterre om zo hun vriendschap te vieren. Het is een bijzonder stel wanneer je ze zo ziet. Berry en ik wandelen over de mooiste brug. Berry ontdekt dat hij zijn T-shirt dat hij achter op zijn rugzak vast klemde heeft verloren. Ik wacht bij zijn rugzak. Hij loopt terug, vindt zijn shirt. Na een tocht vol vertellingen, heel veel regen en modderpaden, bereiken we Neigera. De refugio is aan de andere kant van het stadje. De herberg blijkt vol. Er is geen beheerder. En een gesloten kamer heeft nog vier bedden. Verder ligt er een stapel matrassen. Hier overnachten moet geen probleem zijn. Berry besluit toch in zijn tentje te gaan slapen. Drew is er ook. En andere bekende pelgrims. De Duitsers - Kristal en de man van Rita -met Rudi de Belg. De Amerikaan Kevin en zijn vriendin waarvan we de naam maar niet kunnen onthouden. Om 6 uur wandelen Drew en ik naar het centrumpje voor een pizza en wat inkopen. Ik bel Klazien. Drew en ik keren terug. De pizzaboerin gaat pas om 8 uur bakken. Om kwart voor 8 zijn we weer in de pizzatent. Berry heeft zijn vegetarische maaltje al op zijn campinggasje gekookt en naar binnen gewerkt. Berry rookt. Berry drinkt. Maar Berry is een van de personen van de camino die ik niet vergeten zal. Hij is open als een kind, verwondert zich over de mooie en kleine dingen en hij heeft een boekenhoeveelheid gelezen waar ik een kleine jongen bij ben. Drew, Berry en ik drinken samen een biertje en lopen weer terug naar de refugio om onderweg nog es een fikse regenbui te ontvangen. Ik moet aan het feit wennen dat ik in het nawoord van mijn onderneming verkeer. Het post scriptum. De koek is op. De thuisreis is in zicht. Dit was het dan. In de refugio nog twee Nederlandse vrouwen ontmoet. 20 jaar geleden deden ze ook de camino. En net als Ger met zijn mannen vieren ze hun vriendschap met deze etappe naar Fisterre, Karin en Marjo.
Ik slaap in de kamer die ontgrendeld is. "Het leven is een wonderlijke aangelegenheid. Met veel, heel veel water nu. De betekenis daarvan is veelvoudig." Met die gedachte slaap ik in.
Dag 86 zondag 15 mei
De geest van de camino moet ons gaan vervullen. Zoiets. Ik heb fantastisch geslapen. Bijna 6 uur aan een stuk., Dat is lang geleden. Ik voel me ook power. Moet ook wel, want ik heb 37 km voor de boeg en er is heel veel regen verwacht. Ik voel me veel meer ontspannen. Het gevoel dat ik schoon gespoeld ben. Een ontlading. Niet meer de sfeer van Santiago-verwachtingen. Het is even zoeken, maar er is hier nog een wc met gewoon toiletpapier. Zo hoef ik niet om papieren zakdoekjes bij anderen te vragen. Mijn eigen voorraadje is zoek. Pas in een bar was er ook geen wc-papier. Het enige papier dat ik bij me had was een suikerzakje. Heb ik open gescheurd en leeg geschud. Daarna in tweeen gescheurd. Bleek toch niet voldoende. Maar de verlossing was buiten-de-deur: zo'n koker met papiersel om je handen aan af te drogen. Snel een dot gepakt en teruggekeerd naar het toilet om het filmwerk af te ronden. Ik zou een studie van Spaanse toiletten kunnen maken. Het afsluitmechaniek: altijd zo'n pietepeuterig grendeltje. Een flinke ruk en de deur is open. Ook laten ze de trekker nog al eens in een gaatje in het plafond verdwijnen en zit te stortbak ergens verstopt in hogere sferen.
Ik bedenk me dat ik de laatste dagen ook nog iets voor mijn verhaalidee over 'het boek en de reiziger' moet zien te vinden. Een soort afsluiting. De camino is een spiegel geworden waarin ik mijzelf tot in de kleinste details heb af kunnen lezen. Ik blijf nadenken over de relatie 'verbeelding'-'realiteit'. Hoe kan ik straks alles uitleggen? Dat gevoel van een 'Jij', die me beschermt, die bij me is, niet op een specifieke plek, niet in mijn innerlijk, ook niet in een hemelsfeer daarbuiten of als een transparante Jezusfiguur naast me. Nee, dichter op mijn huid. Daarover denk ik al 's ochtends vroeg en ik maak er aantekeningetjes van.
Om 7.05 uur vertrek ik. Alleen. Was ik gisteren al van plan. Om zo 'de camino' voor mijzelf samen te kunnen vatten. De regen wacht nog even. Ik volg een heel lang stuk over stijgende en dalende slingerende bospaden. Weer met eucalyptusbomen. Even in een dorpje: het prachtige gouden licht van de zon en de regen die begint te drenzen. Regendrens die overgaat in echte regen. Regen die niet meer zal stoppen deze dag. Steeds heviger. Hoe vergaat het de anderen? Die krijgen dit ook op hun nek. Het bospad wordt een bergbeek. Ik moet soms de gekste toeren uithalen om verder te gaan. Ik zie al uit naar het thuiskomen, het einde van deze week of begin volgende week. Het is nu Pinksteren. Maf, met Pasen liep ik ook in de stromende regen. Nu zwaait het grote wierookvat in Santiago heen en weer. Dat mis ik allemaal, maar ik heb er geen wroeging van. Heel die bonte kermis kan me nu even gestolen worden. Dan heb ik nog liever dit voort otteren in de regen. Het is soms echt te erg: het pad. Alles aan en in me wordt vochtig. Na 8 km die ene bar die open zou zijn. Dicht. Andere verregende pelgrims die ik nooit eerder zag arriveren ook. Ze balen. Ze hadden nog niet ontbeten en verheugden zich erop dat in deze bar te doen. Maar dan gaat de deur open. Ik neem enkel een koffie. Dit wordt lichamelijk de zwaarste dag weet ik: 37 km sjouwen door de regen. Al herinner ik me de derde dag na Rijkevoorsel maar al te goed. Op die manier spiegelt de camino ook van binnen. Het begin spiegelt het einde. Wonderlijk. Verder weer. Nu over een asfaltweggetje. Ik kom Drew tegen. De rest van deze waterwandeling blijven we bij elkaar. Af en toe komen we Kevin en zijn vriendin tegen. Die twee balen meer dan wij. Drew ziet de lol wel in dit natte gebeuren. Drew heeft gisteren een klaver vier gevonden. In navolging van Renee, die met het grootste gemak de ene klaver vier na de ander vindt. Iets dat toch tamelijk wonderlijk is. Ik heb dat ook geprobeerd, maar na een tijdje maar opgegeven. Renee gaf de gevonden klavertjes vier ook meteen weer weg. Na een tweede bar waar we langer dan normaal schuilen, omdat het hoost, doen Drew en ik het befaamde woordspel. Een woord in je hoofd en alleen met ja en nee antwoorden. Gouden ring. Spaans woordenboek. Berry's tent. Yoghurt. Drew had nog nooit van de Humble-telescoop die ik in gedachten had gehoord. We hebben het over wonderen. Drew is nieuwsgierig hoe het is om getrouwd te zijn. Hoe je nu toch van te voren kunt weten of het goed zal gaan. Kun je dus niet weten. Het is echt heel ontspannend om zo met hem voort te wandelen. Hij heeft exact hetzelfde tempo. Mooi gezicht: Drew met zijn eeuwige australische hoed en zijn cape en korte broek. Soms schuilen we even als de stop uit de hemel getrokken wordt. Australiërs worden er moe van wanneer mensen altijd weer beginnen over het feit dat in Australië het water de andere richting op kolkt in de wasbak als hier. Dan horen we enorme knallen. We zien flitsen in de bergen. Vuurwerk dat overdag afgestoken wordt? Later blijkt dat ze met pinksteren bij de begraafplaatsen buskruid afsteken. Waterstromen. Regen. We stoppen niet meer. We blijven alsmaar doorlopen. We zijn nu toch zeiknat. Af en toe dan een stop voor een plas. Of wat eten. Regen in alle soorten. En zo komen we toch nog plotseling bij de refugio. Mijn kaartje en alle gegevens zijn doorweekt en niet meer af te lezen. De refugio gaat pas om 4 uur open. We laten onze rugzak achter en soppen naar de plaatselijke bar waar we de Duitsers - altijd de eersten willen zijn, stop Rik, geen vooroordelen - ook al zijn gearriveerd en er een beetje prat op gaan dat ze nu kurkdroog zijn. O, wat een fantastische uitrusting hebben ze. Echt aangenaam is het in onze doorweekte toestand niet. Om kwart voor 4 terug naar de refugio. Er is één douche. Voor meer dan 30 medereisgenoten. Ik kom daar niet meer aan toe, aan die douche. Met mijn wandelstok maak ik een ophangmechaniek voor mijn natte goed. Er is niets droog meer. Ook mijn slaapzak is vochtig. Geen enkele droge sok, geen slipje. Alleen mijn dagboekjes in drie-dubbel plastic zijn droog. Ik lig een half uurtje op bed. Berry arriveert. Drew en ik zijn nat. Maar Berry is een-en-al-waterman. Hij heeft echt geen droge draad meer aan zijn lijf. Elk radiatortje en elk ding wat warmte geeft is met sokken en ondergoed behangen. Er is zo'n warme-lucht-blazer naast de wasbak. Er staan rijen medepelgrims te wachten om onder dit warmtekanon hun sokken en schoenen droog te laten blazen. Onbegonnen werk natuurlijk, want geen enkele schoen wordt meer droog de komende dagen. Mijn horloge staat ook weer stil. Ger met zijn maten hebben het ook gehaald. Maar met moeite. Ik wandel naar de bar. Waar kun je hier in dit gat bellen? In een woonhuis. Twee enorme honden voor de deur. De vrouw van het huis is niet echt gelukkig met mijn vraag te mogen bellen. Schijnen te veel pelgrims daar te vragen. Drew en ik hebben erge honger. We hebben ons al ingeschreven voor de refugesoep, maar de maaltijd is pas half 9. Ik heb nog spaghetti en sardines in mijn voorraad. Drew tonijn, tomaat e.d. Berry heeft al iets vegetarisch gefabriekt. Er is hier een keuken met formuis. Drew en ik maken een spaghettimaaltijd. Heerlijk. Daarna drinken we Berry-koffie. Met de dertig medepelgrims werken we daarna soep naar binnen. Drew kan meer op dan ik. Voor het eerst. Marjo en Karin arriveren laat. Maar die hebben een instelling dat ze de lol overal wel van inzien. Het regent nog steeds onafgebroken. En ook het Heilige-Geest-geschut wordt vol vuur afgeschoten. Alveiras heet dit gehucht blijkt.
Dag 87 maandag 16 mei
Om 4.40 uur zit ik weer in het eetzaaltje te schrijven. Berry slaapt op een houten bank. Hij wil niet in een gewoon bed, omdat hij zo zegt hij dan met zijn gesnurk de anderen uit hun slaap houdt. En in zijn tentje slapen zat er vannacht niet in. Slapen vindt hij maar zonde van de tijd. En net als ik kan hij met heel weinig slaap toe. De regen valt. En ik schrijf. Zoveel verschilt dat niet van elkaar. Zoals de regen neer klettert op de verweerde straatstenen zo spatten mijn zinnetjes op de ongeschreven bladzijden. Ik zoek nog steeds naar 'de kern' van mijn verhaal over 'het boek en de reiziger'. Een leemte, waar ik muurtjes van zinnen omheen metsel. Zoiets als: om het onnoembare te kunnen bewaren. Om 6.15 uur drink ik koffie met Berry. We hebben het al weer over talloze boeken gehad. Hoe we onze ogen bedierven toen we jong waren. Om half 8 wandel ik met Drew het dorpje uit. Berry wil nog even wachten totdat de regen minder wordt. De Duitsers zijn al lang weg. Drew en ik hebben het over geschiedenis. De Tweede Wereldoorlog in Nederland. Hoe dat was. We lopen door een prachtig landschap. Een slingerende beneden ons. Met gele brem bedekte hellingen. Heuvels. Een bergketen in de verte. We zijn op weg naar de oceaan. Na 5 km bereiken we Hopital. 'n Kleine bar. De mededeling dat er hierna 15 km niets meer is. De Duitsers zijn er ook. We kopen een brocadillo (sandwich) voor onderweg. De regen valt weer met bakken uit de hemel. Wordt het weer net zo'n dag als gisteren? We wandelen door niemandsland. Het woordspel. Glimp. Figgershake. Na meer dan 2 uur soppen in de regen verorberen we de brocadillo. Een steil dalend pad. En dan voor het eerst de oceaan zien. We bereiken het plaatsje Cee. Er is een bar. We zijn zeiknat. Koffie.Moe. Kevin en zijn vriendin Shrl... en nog wat arriveren. De duitsers. Drew is zo moe dat hij zijn hoofd op de armen legt. Even niet verder willen. Maar we moeten toch. Rillerig. Met heel veel moeite maken we ons uit deze bar los. Buiten: nog natter, koud, regen. Even in een dip. Waar zijn we mee bezig? Door Cee heen sjokken. Langs een doorgaande weg. Word je ook niet vrolijk van. En tegelijk realiseer ik me dat dit de laatste echte afstand van de hele camino is. "Wat ben ik aan het doen met het vooruitzicht dat het net als gisteren de hele tijd blijft regenen?" vraag ik me af. Dan worden de paden mooier. Een bospad. En zowaar: de regen stopt abrupt. De zon breekt door. Het wordt opeens warm. Zonnebril op. Jas uit. Gek weer, deze plotselinge overgang. Steeds mooiere weggetjes. Uitzicht op de oceaan. In een dorpje kunnen we gemakkelijk op het strand komen. We ploffen op een houten vlonder neer. Schoenen uit. Een wijkend vergezicht. Een weldadig gevoel. Heerlijk ontspannen. We zijn dan nog niet in Fisterre, maar dit is het toch wel. De zee. De prachtige kustlijn. De blauwe hemel. Mijn zakmesje valt nog in een spleetje in de vlonder. Met moeite vis ik het eronder vandaan. Kevin en zijn vriendin van wie nog steeds de naam niet goed weten doen dit strand ook aan. Verder weer. Een pad dat tussen bomen en struiken door naar een hoogte voert. En dan plotseling een wijds panorama. Het plaatsje Fisterre in de baai, de bergtop met de vuurtoren. Het einde is bijna in handbereik. We wandelen omlaag. Vinden een bar aan het strand. Verder niemand. Bier. Echt ontspannen. Nog eventjes maar. Dit zijn de laatste ogenblikken van mijn zo'n 2400 km lange wandeling. De oceaan zien. De plek hier. Ik ben gelukkig. Dit is zo compleet anders dan Santiago binnen wandelen. Hier wandel ik de zich uitvouwende ruimte tegemoet. Dit is geen Post Scriptum. Dit is een geweldig slotaccoord. Verderop stuiten we op Mary, Drews moeder, en zijn zus Yvette, die net met de bus zijn gearriveerd en al een hotelletje hebben gevonden. Ze hebben Julian en zijn vrouw Juliette nog in santiago gezien en Nataja en haar man. Natasja heeft het dus gelukkig ook gehaald. Renée is zondag ook gaan lopen in deze richting. Had het ook verder wel gezien in santiago. Ik besluit niet meer in een refugio te gaan slapen. Heb ik geen trek meer in. Er is een kamer in hetzelfde hotel van Mary en Yvette vrij. Niet duur. Drew wil wel overnachten in de refugio. Op een terras uitrusten. Naar de zee en de schoon gewassen hemel kijken. De hoge bergen en de grillige kustlijn. Helderheid. Blauw in overvloed. Daar, verder, om de hoek, zo'n 3 km van Fisterre vandaan, is het einde van de wereld. Dat trekt. Daar moet ik deze dag nog naar toe. Maar nu even de aankomst vieren. Ik heb weer de ruimte. De ruimte van het begin van de tocht. In België en Noord-Frankrijk. Ik ben er. Ik ben er eindelijk. Na 86 dagen. Ik bel Klazien. Ze zit net op het toilet. Had de telefoon meegenomen, want ze verwachtte mijn telefoontje. Ja wanneer ik nu thuis kom weet ik nog echt niet. Ik heb kamer 404. Ik haal alle spullen uit mijn rugzak en ik spreid ze uit over de vloer en bij de ramen. Alles is nat of vochtig. Het is zo bij elkaar maar een gaar zootje. Ik douche me. Ik pit een half uurtje. Ik voel me los van al die andere wandelgasten. Zelfs een beetje ontheemd. Maar het gevoel van in frankrijk onderweg zijn, daar kan ik weer bij. Gek: morgen niet meer naar een volgende plek. Heel gek. De onrust voorbij. O, ik ben mijn vulpen kwijt. Balen. Niet meer gegeten. Om 8 uur 's avonds gaan Drew, Mary, Yvette, Berry en ik naar de uiterste punt voor de 'zonsondergang'. Meer dan 3 kwartier lopen. Zonder rugzak. Voorbij de vuurtoren zitten we op een rotsblok en kijken uit over de enorme watervlakte. Een filmploeg gezien. Deze zonsondergang hier blijkt heel bijzonder te zijn. Het ene rotspuntje voor ons. De kliffen die me aan ierland doen denken. De dalende zonneschijf. "Ik heb nog nooit eerder in mijn leven zo lang naar de zee gekeken," merkt yvette op. Mary maakt toastjes. Drew deelt bier uit. Berry steekt zijn zoveelste sigaret op. Hij is om 7 uur aangekomen en slaapt in de refugio. Wee zijn een beetje een familie zo bij elkaar. Alleen Renee is er niet bij. De voorstelling met zon, wolken en zee gaat beginnen. Lichtbanen. Goudspetters. Het pad van schitteringen over de zee. Als een surrealistische camino. De wolken die steeds weer anders oplichten. Hier krijgt alles de ruimte. Ook mijn eigen hoofd. Dit is letterlijk: 'er zijn'. Helaas, ondanks de veelbelovende aanvang, wordt het geen echte zonsondergang. Morgenavond beter misschien. Maar het had wel alles in zich om een mooie zonsondergang te worden. Ger en zijn maten zijn ook gearriveerd. Berry, drew en ik lopen samen terug. Ik raak nog in gesprek met Hilère, een Franse jonge vader die afstanden van 50 km per dag loopt. Hij is nog niet uitgewandeld. Hij loopt de camino ook weer terug. Berry vertelt een lange mop over Julius Caesar en een woeste Pict. In Fisterre eten we een snack.
Dag 88 dinsdag 17 mei
Tot half 8 uitgeslapen. Genoten van de rust. Ik heb mijn plan: alleen naar de uiterste punt gaan. Met schrijfspullen. En daar kijken naar de oceaan en schrijven. Het is alsof ik alle verzamelde denkbeelden van de afgelopen 88 dagen voel watertrappelen om een plekje in mijn laatste legpuzzelstukje van een verhaal te worden. Niet het verhaal zelf. Maar de woorden erom heen. Als een vingeraanwijzing. Daar is de plek. Zo wandel ik naar de punt. Helemaal alleen. En daar is ook niemand. Et is prachtig weer. De oceaan even voor mij alleen. Ik zoek een geschikte plek. Onderweg hier naar toe nog een vulpen en wat mondvoorraad gekocht. Ik weet nog niet hoe lang ik er zal blijven. Alles past. Ja, meer dan ooit past alles. Het laatste puzzelstukje maakt het beeld van de hele wandeling zoals het zijn moet. Ik ervaar het schrijven als een soort precisiewerk. En tegelijk gaat het schrijven vanzelf. De meeuwen krijsen. Bij mij in de buurt: brandplekken waar anderen hun spullen verbrand hebben. Doe ik ook. Vanavond of morgen op mijn verjaardag: mijn spijkerjasje verbranden. Het is warm. Blauwe hemel. Jubelend zomerweer. Geen moment eerder heb ik me zo ontspannen gevoeld. Kijken naar het grote water. De lijnen in de golven. De einder. Een vissersbootje dat een wit spoor achterlaat in de golven. Terwijl ik aan het schrijven ben is er opeens de gekko. Aan mijn voeten. Helemaal niet schuw. Een soort groenblauw glanzende hagedis van zo'n 30 cm. Ik had nooit meer over dit wonderlijke diertje nagedacht sinds ik de wonderlijke roman 'Mayo' van Jostein Gaarder (auteur van 'de wereld van Sophie') gelezen had. Berry had onderweg ook een exemplaar gezien. En nu is dat diertje, dat ontsnapt lijkt te zijn uit de film van Jurassic Parc, bij me. Heel de tijd blijft het bij me. Het schuifelt wat rond, klautert over mijn been en voet, over mijn spulletjes, mijn camera waarvoor ik een nieuw rolletje gekocht heb. Het kijkt me een paar keer met die kraaloogjes aan. Het diertje gaapt. En ik verwonder me de hele tijd over zijn aanwezigheid. Zo dichtbij. Zo vreselijk dichtbij. Ik raak het niet aan.Ik laat het diertje er maar gewoon zijn. Prachtig die glans op die schubben. Het is echt een soort mini-dinosaurus. Kijk die pootjes nu toch. Ik moet denken aan wat Berry vertelde over 'Small gods'. Dit diertje is maar erg klein. Hoe wordt het 'groter' geloofd? Het verscheen juist op het moment dat het schrijven in een stroomversnelling raakte. Soms vind ik al die toevalligheden maar verwarrend. Ik denk dan maar aan wat Julians vriend David daarover vertelde. Dat we 'het wonder' zo graag invullen en we buitelend over onze eigen gedachten niet-passende legpuzzelstukjes passend maken. Ook Drew is zo'n realist. "Deja-vu's bestaan niet. Wanneer we iets zien dat we daarna een deja-vu noemen heeft zo'n impact dat we denken naar een soort nabeeld te kijken." Maar ik weet het niet hoor. De gekko vindt een kaaskorstje, speelt ermee, laat het weer liggen.
Er verschijnen toeristen. Boven me. Zo besluit ik half 2 mijn plekje maar eens te verlaten en naar het hotel terug te keren. Misschien dat ik Berry opzoek en met hem wat ga drinken. De dag is open genoeg. Ik heb geen enkele verplichting. Geen zelf opgelegde taak. Geen route te lopen. Ik drink eerst nog koffie in het barretje bij de vuurtoren en ik wandel daarna de 3 km lange weg naar Fisterre af. Warempel, daar loopt Steve, Steve van 'Pete and Steve', de twee mannen die ik op de meest onverwachte ogenblikken dagelijks de hele Spaanse camino tegenkwam. Pete and Steve, die in hotels sliepen en pas na negenen aan de wandel gingen. Pete and steve, die ik altijd achter een pul bier op een terras zag zitten. Steve die een mobiel had waarmee hij het laatste nieuws via een internetverbinding kon ontvangen en zo ook altijd wist wat voor weer het werd. En nu zag ik hem met een Canadees. Even een praatje met hem. Verder weer richting dorp. Rechts de zeearm met plassen zonlicht op het water, de bergen, de wolken, links de helling begroeid met brem, voor me uit: de weg, en een mensfiguurtje. De zoveelste pelgrim die de punt gaat aandoen. Een pelgrim alleen. Ik herken haar niet eens. Pas wanneer ze 'ola' roept. Ik vind dat altijd zo stom klinken: "Ola". Ik moet dan toch altijd aan het merk van een ijsje denken. Het is Renée met haar Yellowsoneparc-stok en een kleine rugzak. De zware heeft ze in Santiago achter gelaten. Ze is erg blij me te zien. Had niet verwacht dat ik nog hier was. Ze baalde dus ook van Santiago en was zondag op pad gegaan. Grotendeels alleen. Ook dit stuk. Ze wilde niet in Fisterre stoppen, maar direct door wandelen naar 'het einde van de wereld'. Of ik nog even mee ga? Tuurlijk. We vertellen elkaar over de weg hier naar toe. De regen. Ze wil dat ik een foto met haar toestel maak van haar bij het stenen kruis. En daar is ook Steve weer. We lopen naar het uiterste puntje. Daar zit ook Luba, een studente die Renee onderweg is tegen gekomen. Weer komt de Gekko tevoorschijn. Renee laat me haar kapot gelopen schoenen zien. Kijken naar de oceaan. Relaxed. Tegen vieren een biertje drinken. Tegen vieren in Fisterre terug. Daar ontmoet ik Hans, een Nederlander die ook van huis vandaan de camino gelopen heeft. Ik had al een aantal keren over hem gehoord, maar hem vreemd genoeg geen enkele keer gesproken. Pas hier bij het eindpunt. Ik doe nog een tukkie. Renée is van plan haar schoenen te verbranden. We eten samen in een restaurantje en maken plannen voor de verbranding. We gaan branbaar spul verzamelen: oude kranten, hout, aanmaakblokjes. Ik denk nog aan benzine. Nergens te krijgen. Ik voel het pyromaantje in me tekeer gaan. Met de Australische familie, Berry en Renée wandel ik 's avonds weer naar de punt. In mijn plastic zak: mijn jasje, kranten en ander brandbaar spul.
"Waarom verbrand je nou je jasje, papa?" had Ilsa gevraagd. Voordat ik van huis ging had ik me drie dingen echt voorgenomen: een steentje achterlaten, mijn jasje verbranden en een verhaal vinden. Rituelen die met mijn verwachtingen van de hele tocht te maken hadden. Ik werd vijftig. Ik wilde mijzelf tegen komen. En ik wilde iets meer te weten komen waarom de mensen komt en gaat. Het liedje van mijn vader indachtig: "Welterusten langs de kusten vloeien golfjes heen en weer en van al die duizendtallen keert er ooit geen enkel weer." Waar zijn wij mensen naar op weg? Zou een onderneming als deze, een soort afstand nemen van het gewone leven, mij meer kunnen vertellen over dit voortdurende verschijnen en verdwijnen? Het jasje verbranden: een soort oefenen in verdwijnen. Niet helemaal echt verdwijnen, maar wel willen inzien dat ik hoe dan ook ooit verdwijn net als dit hangjasje dat me zo goed was gaan passen. Het steentje achterlaten: net zo goed een oefenen in verdwijnen. Iets waardevols van jezelf achterlaten en dat maar overgeven aan de weg. En het vinden van een verhaal: daar maakte ik me al niet zoveel zorgen om, dat verhaal kwam vanzelf wel, dat was al heel de tijd aan de gang. Het verhaal: iets van mijzelf dat niet van mijzelf was.
Bij de punt is een soort monumentje. Van de verbrande wandelschoen. Vele pelgrims verbrandden hier hun wandeloutfit of een deel dat er symbool voor stond. Maar ik ging iets anders verbranden. Een jasje dat ik tijdens het wandelen nauwelijks gedragen had en eerder voor extra gewicht zorgde. De ware betekenis van het verbranden van dit jasje zal later wel meer tevoorschijn komen, heb ik gedacht. Ik ben de brandstapel al aan het maken. Tussen twee enorme keien. Ik maak grote proppen van de kranten. Ik ben alleen daar nog maar mee bezig. Houtjes. Aanmaakblokjes. Ik leg mijn jasje op de brandstapel. Uitgevouwen. De mouwen als uitgestrekjte vleugels van een zilvermeeuw. Daar ga ik. Nog wat aanmaakblokjes erbij. Ik houd het vlammetje van de aansteker bij de onderste kranten. De boel vat direct vlam. En behoorlijk. Een groot vuur. Benzine is dus niet nodig. Er worden foto's gemaakt. Wijn ingeschonken. In plastic bekertjes. Renée legt haar schoenen in het vuur. Rudi, de Belg, heeft een hele verzameling wandelspul: zijn twee stokken, een cape, een woordenboekje, gidsjes, kleren, schoenen. Gebiologeerd kijk ik naar het oplaaiende vuur. Mijn jasje: een vuurrode vlindervlam. Tegelijkertijd begint de zonsondergang.
Ik bevind me op de grens. Tussen verbeelding en realiteit. Tussen water, vuur, lucht en land. Staat mijn horloge nu weer stil? Renée raakt in gesprek met andere pelgrims. Berry en de Australische familie gaan hoger zitten om de zonsondergang beter te zien. Ik ben alleen met het vuur. Van het jasje is helemaal niets meer over. Verdwenen. In rook opgegaan. Weggevlogen.
Waar gaan we naar toe? Waar komen we vandaan? De ene levenszin ligt achter het decor van de werkelijkheid. De hemel zwijgt. De oceaan is te groot.
Op een rotsblok kijk ik naar het laatste licht. Soms lijkt het licht een highway upstairs. Een hemeltrap. Een zoveel mooiere zonsondergang dan de vorige dag. Maar het doet me minder. Ik zou de werkelijkheid af willen dwingen met een duidelijker en verstaanbaarder antwoord voor de dag te komen. De voorstelling is snel voorbij. Ik stook het vuur nog es op. Iedereen verlaat de grote zaal. Maar ik wil hier alleen nog een tijd blijven. Alleen. Ik wil het donker zien worden. Vreemde jongen, die baardmans. Op een uitgelezen plekje zit ik hier de laatste uren voor mijn verjaardag uit. In het donkere water en de vreemde donkere wolken, waartussen het laatste hemellicht kiert, lees ik al die dagen van onderweg. En ik roep allerlei belangrijke levensmomenten op. Ik heb alle tijd van de wereld. Mijn eerste kleuterschooldag. Bij mijn vader achterop de brommer. Met mijn grootvader wandelen langs de rivier. De rivier is bevroren. Mijn opa kijkt de verte dichtbij. Vakanties in Scheveningen. Vuurwerk in het Merwesteynpark. De avonden thuis. De zondagen. De HBS-tijd. Youth for Christ. De terp. Berlijn 1973. De film van Clif Richard in de Terp. De beginnende verkering met Klazien. De PA-tijd. Wonen in de Grotekerksbuurt. Marinka's geboorte. Een grote vlieger oplaten. Onze drie meiden zien opgroeien. Schoksgewijs. Als op de 8 mm filmpjes. Mijn werk. Ierland. Kindertheater met Hans. Met Hans en Kees naar New York. Het bezoek aan Jozef van de Berg. De gesprekken over literatuur met Joke en Werner. Het wandelen. Het rondje Dordt. Het rietlandschap en het strandje. Zoals op het schilderij. Ik heb tijd genoeg. En de dagen van de camino vervloeien met mijn leven. En voordat het laatste projectielicht van de hemelwand verdwijnt klauter ik naar boven.
Daar staan Rita en haar man bij mijn vuurplaats. Ook zij gaan nu spullen verbranden. En daar zijn Marjo en Karin. Het is al 11 uur geweest. Ik loop met hen mee naar het dorpje. Af en toe razen snelle auto's voorbij. Het vuurtorenlicht strijkt over de donkere wereld. Lichtjes in de baai. Wanneer we Fisterre binnenwandelen zie ik Berrt. O ja, zijn spullen staan nog op mijn hotelkamer. En hij maar wachten op me. Nee, rik, het is okay. Geeft niets. Ik houd toch niet van slapen. Berry neemt het leven zoals het is. Echt, het is net alsof ik me in een film bevind. In een boek. Heeft de camino me opgeslokt? Ik Jona. Wanneer spuugt ie me weer uit? Met zijn vieren lopen we door de doolhofstraatjes van Fisterre. Het loopt tegen twaalven.
Dag 89 woensdag 18 mei
"Zullen we nog een biertje drinken?" We stappen een kroeg in. Alles ziet er verslonst en haveloos uit. De kroegbaas: een giechelende dwerg met bolle oogjes. Hij verschuilt zich achter zichzelf en achter de tapkast. Alsof hij bang voor ons is. Ze vinden dat mijn verjaardag gevierd moet worden. Karin beheerst Portugees. Ze vraagt de dwergman om kaarsen. Uit de diepte van zijn gewelven haalt hij een houten doosje voor de dag. Met oude kaarsen. Marjo en Karin zetten vijf kaarsjes op de bierflesjes. Mijn vijftig jaren. Ik steek ze aan. En het is dus ook de bedoeling ze uit te blazen. In een blaas zijn ze uit. Wat is dit voor symboliek: je eigen levensjaren uit blazen? Alsof het in het leven om meer dan levensjaren gaat? Om het gezellig te maken steken we kaarsen ook weer aan. Nog een rondje bier. De kroegbaas begint zenuwachtig te worden. Hij kan niet langer stil zitten en begint in het Spaans-Portugees te ratelen zonder ons aan te kijken. Karin vertaalt. "Hij denkt dat wij heksen zijn en dat we hier aan zwarte magie doen. Die kaarsen moeten weer uit." We doen de kaarsen uit. Maar het mannetje blijft zenuwachtig. Plotseling is hij verdwenen. Hij komt met drie stinkende schelpen terug en geeft ze ons. Om de boze geesten te verdrijven? Nu wil dwergmans ons weg hebben. Hij maakt driftige gebaartjes. Te langzaam naar zijn zin verlaten we de kroeg. "Ik heb nog nooit zo'n vreemd begin van een verjaardag meegemaakt," zeg ik. Karin en Marjo gaan de refuge in via een toegang die Berry kent. Ik haal Berry's rugzak op. Ik loop met hem mee naar het strand waar hij in het pikkedonker zijn tent wil opzetten. Ik staar nog even naar het donker spiegelende water in het haventje en ik begeef me daarna naar mijn hotelkamer. Ik schrijf nog een tijdje. Schrijven is ook een manier om de draad nog een beetje vast te houden.
's Morgens bij een bak koffie raak ik in gesprek met Frederico uit Columbia. Hij heeft geen speciale gevoelens bij de camino. Ook geen aparte ervaringen. Zo zegt hij. "Ik had ook geen verwachtingen."
Met mij is het anders gesteld. Vanaf de vreemde gebeurtenis in de kroeg heb ik de hele tijd het gevoel dat ik me in een boek dat zich door mij laat schrijven bevind. Maar voordat het boek me loslaat moet ik nog zoiets als een opdracht doen. Zoiets als 'het laten verdwijnen van het hart van het boek'. Ik bevind me in een vreemd reisgezelschap. Niemand weet precies wat hij wil gaan doen. Ik wil naar het strandje waar ik Berry 's avonds naar toe bracht. Renée wil met me mee. Ik heb al besloten de bus van kwart voor 2 naar Santiago te nemen. In Santiago ga ik dan op zoek naar een Travel Agency om een vlucht te boeken. Ik heb dat besloten, omdat ik ervan afzie met de trein terug te reizen. Dat leek me eerst zo fantastisch. Dan kon ik heel die camino nog eens de revue laten passeren. Maar dat heb ik nu genoeg gedaan. Bij de oceaan. Ik ben nu klaar voor vertrek. Reizen met het vliegtuig is net zo duur als met de trein. En je word er mijns inziens minder gaar en grijs van. Op het lege strand willen we alle twee alleen zijn. Ik maak artistieke foto's van mijn wandelschoenen in het zand. Alsof een niemand ze aanheeft. Renée loopt langs de golven. Dan hoor ik Berry roepen. Hij wenkt me. Ik ga naar hem toe. Hij heeft al wijn ingeschonken. "Het is immers jouw verjaardag," zegt hij. Hij klinkt geëmotioneerd. Ik was van plan geen alcohol meer te nuttigen, maar dit is een speciale aangelegenheid. We luisteren naar de zee. We kijken naar de golven. We zeggen niet veel. Het afscheid zit in de lucht. We proeven de ruimte. We worden heel serieus opeens. Berry wil hier nog één dag blijven. Om naar de zee te kijken. En daar verschijnen Karin en Marjo. Mijn verjaardagsvisite. Met nootjes en een blikje olijven. Berry smeert een boterham met kaas voor me. Hij haalt zijn gevonden schelpen voor de dag. Ik moet er eentje uitkiezen. Ik zie Renée verderop op het strand zitten. Alleen. Ze moet er toch ook bijzijn. Ik loop naar haar toe. Ze huilt. Heel geëmotioneerd. Omdat het nu afgelopen is. Donderdag gaat ze ook met het vliegtuig naar huis. Ik zit even bij haar. Het geluid van de zee. We lopen naar Berry en Karin en Marjo. Zo zitten we een tijdje op het lege strand. Andere pelgrims verschijnen. Renée wil Ricardo spreken. Karin en Marjo gaan naar de refugio. Ik ben met Berry alleen.
Plotseling staat Berry op en begint te huilen. Niemand begrijpt dit. Hoe de zee door hem en mij heen slaat. Ik heb niets genomen, niets gegrepen. Ik heb die hele camino maar laten gebeuren en daardoor allerlei fantastische mensen ontmoet. Mensen met verhalen. Berry en ik kijken elkaar aan. Hij slaat zijn armen om me heen. En daar sta ik te huilen. Schokkend. Wat is dit? Ik verdien zoveel vriendschap niet. Hij zegt dat ie me zo waardeert. Dat er heel veel mensen de camino lopen, maar dat er maar een paar zijn die hem raken. "Ik kom echt een keer bij je langs. We hebben nog heel wat af te kletsen," beloof ik. Tranen op onze wangen. We kijken naar de zee die net zo zout is. Daar staan we dan. Uitgehuild. Renée, we moeten de bus van kwart voor 2 hebben. Ze wil nog een lied in het engels overschrijven. Ik heb geen zin in haasten. Het is mij om het even. Ik kan altijd nog de bus van half 5 nemen. Niets staat nog vast. Tegen half 2 wandelen Berry en ik terug. Renée komt later. Ik zie de bus wegrijden. Renée heeft intussen al iets geregeld. Ricardo moet een stel naar Madrid brengen met een huurauto. Hij kan Renée en mij afzetten in Santiago. "Je kunt daar overnachten in een appartement waar ik ook mijn spullen heb, als je vanavond nog niet met het vliegtuig vertrekt" zegt Renée. Lijkt me een prima idee. Ik neem afscheid van Berry die nog een laatste mop wil vertellen. Met zijn vijven in de auto. Volgestouwd met bagage. Rugzakken op onze schoot. Twee-en-een-half-uur rijden. We rijden door hetzelfde landschap als waar we doorheen wandelden. Maar het bereikt ons niet meer. Het blijft buiten. We stoppen een keer wanneer we bekende pelgrims zien. Karsten uit Oost-Duitsland. Jean-Pierre. Ik deel brood en fruit uit. Ik realiseer me: "We zijn nu pelgrims af." Ricardo kent de stad Santiago op zijn duimpje. Na een keer bezoeken. Je hebt van zulke mensen. Hij zet me bij het Travel Agency af. Van Renée krijg ik het adres van het pension vlakbij de kathedraal. Zij gaat nog met Ricardo en het stel mee om iets te drinken.
Het Travel Agency gaat net open. Twee pelgrims die ik niet ken voor me. Ze willen naar Lyon met een vliegtuig. Blijkt een kostbare grap. 1295 euro. "Dat wordt niks," denk ik al. Maar het is zo geregeld. Santiago-Schiphol, voor 290 euro, donderdagochtend 7.15 u. vertrek, 12.00 u. aankomst in Amsterdam. Ik ben blij. Donderdag dus al thuis. Wat snel allemaal. En wat belachelijk vreemd zo maar in eens geregeld. Ik dwaal door het Santiago-doolhof. De stad komt me nu veel vriendelijker, zachter en zonniger voor. Ik vraag zeker zes mensen naar de plek van het adres. Ik ben er vlakbij wanneer ik Renée zie. Ze moet iets van haar kamer halen en gaat dan daarna nog naar ricardo en het stel. Tot mijn verrassing heeft Marieke, die ik ooit in Tempelaros sprak, hier ook een kamer. Ze deed me toen al aan Han Roodvoets denken. Ze had me toen verteld dat sojamelk prima spul was tegen de hoofdpijn en een gemakkelijker 'overgang'. Ik had dat Klazien weer verteld. Marieke en ik gaan ergens in de stad een biertje drinken. Ik bel Klazien collect call. Klazien natuurlijk huilen aan de telefoon wanneer ze hoort dat ik zo snel al weer thuis zal zijn. Zo wordt er op de dag dat ik 50 ben geworden heel wat afgehuild. Bij een biertje wisselen we onze camino-ervaringen uit. Marieke vertelt over haar caminomaat Jean-Pierre die op een moeilijk stukje route telkens lieve briefjes voor haar achterliet, gedichtjes, herinneringen aan gesprekken. Soms loop je lang met elkaar op. Dan weer loop je een tijd alleen. Je kunt geen aanspraak op de ander maken. Dat is wel iets vreemds denk ik voor een buitenstaander: hoe dat gaat - samen een tijd met iemand oplopen, maar toch niet iets organiseren voor elkaar de hele tijd door en het aan de camino overlaten. Een keer bleef er de hele tijd maar een jongen bij haar in de buurt. Totaan het kruis met al die stenen. Wat bleek? Daar strooide hij een deel van de as van een overleden pelgrimsvriend uit. Hij wilde dat zij er bij was. Als een soort moeder. Marieke heeft last van iets in haar voet. Het lopen gaat niet lekker. Daarom gaat ze morgen met de bus naar Fisterre. 't Is weer es prettig ongebreideld Nederlands te kunnen praten. Na twee biertjes lopen we terug naar het pension met de groene deur. De binnenstad van Santiago blijft voor mij een doolhof. Ik douche me en doe een tuk. "Heb je zin om ergens met me te gaan eten?" vraag ik Marieke. Ik heb met Renée verder niets meer afgesproken in de veronderstelling dat ze al met anderen iets afgesproken heeft. Zo wandelen Marieke en ik zomaar richting ergens. Marieke wil nog een pen kopen. Wat is dat met pennen, de laatste dagen? Ik wacht. Dan lopen we verder. En zo lopen we Renée in de armen. Toevallig. Ze is een beetje down. En ze heeft honger. En ik heb trek in een pizza. Het is immers mijn verjaardag. Marieke en Renée zien ook wel wat in een pizza. Er schijnt hier maar een echte pizzatent te zitten en daar lopen we zo direct op af. "Het is jouw feest," zeggen ze plagerig. "Ik trakteer natuurlijk," zeg ik. "Misschien dat pizza's in de vreemde nog een meest aan eten thuis denken," merkt Marieke filosofisch op. Prima pizza trouwens. En ik win nog een bon voor een fles cola. Morgen inleveren. Grapje.
Met een fles wijn en plastic bekertjes in een plastic zak lopen we met zijn drieën naar het plein van de kathedraal. Daar bij het grote hek, op een soort stenen drempel, is nog een eilandje zonlicht. Ons plekje. Eerst laten we Renée punt 0 middenop het plein zien. Vanaf die plek begint het tellen van de kilometers op de schelpenpaaltjes. Ik maak een foto. We zitten op de grensplek. Renée in het midden, ik links, Marieke rechts. Van de rechterkant van het plein klinkt het geluid van een zanger die in een poortje op zijn gitaar speelt. Van links klinkt de zoekende melodie van een klarinet. Ik herken plotseling de melodie. Een stukje uit de film 'the unbearable lightness of being'. De treurzang van het kortstondige leven. Daar zitten we dan op het drempeltje van de eeuwigheid in het laatste zonlicht van de dag. Dicht tegen elkaar aan. De armen in elkaars armen. Er zijn nauwelijks mensen op het plein. Ja, de ene man in zijn potsierlijke pak met lintjes. De Santiagoman. Een enkele pelgrim passeert. Op de fiets. Of lopend. Enkele Spaanse stelletjes. Een politieauto rijdt langs. De lage zon staat in de opening tussen de twee gebouwen rechts. Nog even en dan zal ze achter de bomen daar in de verte verdwijnen. Het pure licht. Verblindend goud. Hoe kun je deze entourage verzinnen? Het is bijna cliché. We zeggen niet veel. Ik volg de melodie van de klarinet, kijk naar de meeuwen in de hemel. Dit is meer het decor van een boek dan werkelijkheid. Een andere bekende melodie. Air van Bach. Vertrouwde klassieke topper. Maar nu toch anders. Trager. Terwijl Marieke met haar mes de kurk van de fles probeert te krijgen gebeurt het. Ik schiet helemaal vol. Nu pas. In schokjes. En het blijft maar komen. Daar zit ik me toch te janken. Het glinsterende gouden licht. Die zoekende melodie. Renées koude hand. Marieke die de kurk echt niet van de fles krijgt. Naast me huilt Renée. Heel zachtjes. Heel stilletjes. Traansporen over haar wangen. Al de emotie, die hele camino, stroomt eruit. Al die dagen. Al die momenten. "Ik probeerde op het strand te huilen. Maar het kwam niet. Nu komt het vanzelf," zegt Renée. Het doet pijn. Het heeft alles zo met het leven te maken. Afscheid nemen. Laten gaan. En zo neemt de zon ook voor deze dag afscheid. Een mooiere zonsondergang daar achter die boomtoppen dan gisteren en eergisteren. Marieke vertelt over Jean-Pierre. Hoe hij precies op het moment dat ze hem nodig had voor haar aanwezig was. Dat als je te veel iemand tot jouw beschikking wil hebben, dat er dan niets gebeurt. Dat je alleen moet durven en kunnen zijn. Dat het vanzelf wel weer goedkomt. Iemand die je helpt. Ook ik krijg de kurk van de fles er niet af. Met mijn nieuwe vulpen duw ik de kurk dan maar in de fles. Het laatste gouden lichtdruppeltje verdwijnt achter de bomen. Ik schenk de wijn in. We vertellen elkaar weer onze caminoervaringen. Alsof we die dagen op de een of andere manier samen willen vatten. "Het landschap waar ik door heen wandelde opende zich meer en meer. Het had met me te maken. En ik raakte er zelf open door," vertelt renée. Ze wil de Santiagoman ook een glaasje wijn aanbieden, maar die mag niet drinken 'onder werktijd'. We zitten op een plek waar de tijd stilstaat. Er worden foto's van de kathedraal door passerende toeristen en pelgrims gemaakt. Flitsen. En zo moeten we met zijn drieën op menig foto staan. In het bleke hemelblauw tussen de twee gebouwen rechts verschijnt de eerste ster. Een gevoel van tederheid. We zijn elkaar dankbaar om dit. We drinken wijn. En zomaar begint het. Recht tegenover ons. Bij de bogen van het paleis. Zes mannen zingen een gregoriaans lied. Hun krachtige stemmen vullen het plein. Acapella. En daarna nog een lied. Gregoriaans. Prachtig meerstemmig. De klarinet links verstomt. Er is alleen dit zuivere zingen van die mannen. "Je verjaardagscadeau," merkt Marieke op. Weer moet ik huilen. Dit is zo vreselijk ontroerend. Je vergeet jezelf. Alleen die stemmen. Alsof het gevoel van iets groters ons draagt. En ik moet denken aan Klazien die ik morgen terug zie. We vergeten de tijd. Na het laatste lied is er even die ingehouden stilte. Dan een zwak applaus. Wij klappen ook. De mannen verlaten zacht zingend het plein. En op die manier blijft hun gezang denkbaar. We zijn moe. Langzaam lopen we terug naar het pension met de groene deur. Santiago heeft een vreemd spel met me gespeeld. Vrijdag maakte de stad me bang en somber. En nu geeft de stad ons alles aan licht, aan energie, aan muziek. Zo van: "Ga thuis verder met de weg die je hier hebt gevonden."
Dag 90 donderdag 19 mei
Om half 6 wachten Renée en ik op het drempeltje bij de groene deur op de taxi die ons naar de luchthaven brengen zal. Renées vliegtuig vertrekt een uur later. De tocht naar het vliegveld duurt ruim een kwartier. Inchecken. De rugzak laten gaan. Naar het restaurant om samen wat te eten. Afscheid nemen van mijn wandelcaminomaatje. Het gebeurt allemaal razendsnel. Ik sta al in de rij van passagiers. Achteraan. Een korte omhelzing. Het laatste oogcontact. En dan het toestel in. Voor mij is het afscheid van Renée tegelijk het definitieve afscheid van de camino. Ik ben uit de film en uit het boek gestapt. Het gaat nog sneller nu. Het taxiën over de startbaan. Het opstijgen. Ik wil wat gaan schrijven in de krappe behuizing van mijn vliegtuigstoel, maar mijn nieuwe vulpen lekt zo dat binnen enkele ogenblikken mijn handen vol inkt zitten. Ik besluit dan maar mijn eerste dagboekje van de tocht te gaan lezen. Het meest vreemde is dat ik me niet ongelukkig voel. Ik zie wel een soort overeenkomst tussen al de meegemaakte soorten afscheid. Het afscheid van Klazien voor de Moerdijkbrug staat me nog heel helder voor de geest. Renée en ik hebben elkaar beloofd nog eens te schrijven. En zo doen we het toch vaak: niet in een afscheid geloven.
Vaak bij het verlaten van een refugio zeiden we tegen de anderen: "I'll see you." En in mijn kop zit dat plaatje van de laatste keer dat ik mijn collega Ine zag vastgebakken. Die blik in haar ogen. "We zien elkaar." Misschien is dat de beste levensinstelling: niet in afscheid geloven. Soms tegen beter weten in. Maar dan nog.
Na ruim een uur landt het toestel in Barcelona. Ik weet niet of mijn bagage automatisch in het andere toestel wordt overgeladen en of ik een nieuwe boardingpas moet halen. Maak ik me weer voor niets ergens druk over. Al weet je het natuurlijk nooit. Ik zie geen enkele pelgrim meer, denk ik. Nee toch. Twee fietsers zonder fiets. Hebben die in Spanje achter moeten laten, omdat het vervoer per vliegtuig duurder was dan een nieuwe fiets kopen. Ik koop een fijnschrijver, die ook niet goed schrijft blijkt later. Om 10 uur vertrekt het toestel. Ik vraag een zakenman of ik zijn balpen mag lenen. Prima. Tegen twaalven begint het vliegtuig te dalen. Ik zie een Nederlandse stad bij de kust. De zee. De polders. Het toestel heeft een lange weg te taxiën. Door de tunnel naar de aankomsthal. Dan het lopende-band-wandelen naar de bagagehal. En dan, eindelijk, eindelijk in de bagagehal. Waar komt mijn bagage terecht? O, ik sta juist goed. Verder lopen. Kijken of misschien... Ja, daar staat ze. Ik loop direct naar Klazien toe. Alleen nog een glaswand tussen ons in. Ik kijk om. Daar is mijn rugzak al. Snel nu. Klazien omarmen. Kussen. Elkaar vasthouden. Al die 90 dagen zonder elkaars lijfelijke aanwezigheid. Naar de treinen. Perron 5. Klazien die me maar blijft bestuderen. Hoe mager ik ben. Dat ze mijn botten voelt. We hebben een plekje bovenin een dubbeldekkertrein. We krijgen niet genoeg van elkaar. Een Nederlands boterhammetje met Nederlandse kaas. We zijn weer het verliefde stel. Na Rotterdam bevindt zich geen enkele andere passagier in dit gedeelte. Het rijk voor ons alleen. Inmiddels heb ik ook ontdekt dat ik mijn wandelstok waaraan ik uren heb besteed om die op te halen in bars en winkels op Schiphol heb achtergelaten. We heel symbolisch. Nou ja. En dan sta je daar dan opeens in Dordt. En je kijkt naar de gevel van het station. Ja hoor, de punt staat nog achter de plaatsnaam. (Daar heeft Cees Buddingh' ooit op gewezen. Schijnt uniek te zijn: die punt) Het is of ik niet weg geweest ben. Dordt met de gewone dordtse mensen. Zullen we even bij Werner en Joke langs gaan. Tuurlijk. Op weg naar huis. Werner zien. Joke. We omarmen elkaar. En weer is er dat spiegelende. Even sta ik met Berry op het strand aan het einde van de wereld. En ergens weet ik nu heel zeker: de mensen thuis en de mensen tijdens de camino: zo heel erg verschillend zijn ze niet. Hier in Dordt kan ik weer genoeg ouwehoeren over de diepste dingen van het leven. En in het Nederlands. Joke geeft me hun verjaardagscadeau. Cannetti's 'het martyrium'. Over de boekenvreter. Alles past voortdurend. Thuis. Ilsa, middenin de examens, die me aandachtig bekijkt. Weer in de armen van een echte dochter. Dan zie ik het kleed over mijn stoel. De tijd dat ik weg was heeft Klazien 'de stoel' aan een metamorfose onderworpen. Helemaal uit elkaar. Geschuurd. Gelakt. Opnieuw gelijmd. Nieuwe prachtige donkerblauwe bekleding. Weer schiet ik vol. Marinka en Pascal komen langs. Aniek in een flits. Alles past weer. Mijn echte levensjasje is niet verbrand.
's Avonds laat bekijk ik nog eens de teleac-documentaire over de Camino. Ik zie het oude priestertje dat door Manfred in zijn witte gewaad geholpen werd. Ik zie die andere priester, die onze namen zou blijven voorlezen totdat we Santiago bereikten. Ik zie beelden van Fisterre. En ik hoor zowaar de koekoek. We zijn weer thuis bij elkaar.
Hier houd ik het maar bij. Er valt veel meer te vertellen. Maar ik ben weer thuis. Dus dan kun je gemakkelijk langs komen. Diepzinnige gesprekken over het leven. Of gewoon een beetje uithangjassen. Je bent welkom. Ons huis is te herkennen aan een geel met blauw caminoschelpembleempje dat ik vrijdagochtend op de deurpost getimmerd heb. Klazien werd er wel wreed door uit haar slaap gewekt. Ik was weer vroeg op. Nog steeds trouwens.